Waar komt het woord fiets vandaan?

Nederlandse etymologen (taalkundigen die de herkomst van woorden onderzoeken) zijn zo geobsedeerd geweest door deze vraag, dat er meer dan zeventig publicaties over geschreven zijn. In totaal bestaan er zeker twintig verschillende theorieën over de herkomst van het woord fiets.

& ik vond dat zo grappig en intrigerend, dat ik er een blogje over schreef.

Poster van Velocipede Viets


Halverwege de negentiende eeuw deed het nieuwe voertuig met twee wielen haar intrede in Nederland. Nederlandse en Vlaamse letterkundigen ergerden zich aan dat moeilijke Franse woord vélocipède: een samenstelling uit het Latijnse velox, velocis 'rap, snel' en pes, pedis 'voet'. Het was al snel duidelijk: vélocipède moest vervangen worden. Maar door wat?

Het Vlaams dagblad De Stad Gent nam bij het zoeken naar alternatieven het voortouw. Op 25 augustus 1869 plaatste die krant een lijstje met namen die waren ingezonden door lezers. Tussen de eenendertig benamingen zaten serieuze voorstellen:

snellooper of wieltrapper,

maar ook grappige als

draaiende aardezoeker, tweewielige buikpelder, mekanieke lanterfanter, nieuwbakke luiaard en wielzot. 

Op 31 augustus 1869 werd het krantenartikel overgenomen in het Leidsch Dagblad. De hoofdredacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal stelde daarop het volgende voor:

wieler. 

Een week later, op het Taal- en letterkundig congres in Leuven, werden er achtenveertig alternatieven op tafel gelegd.

loopwieler bijvoorbeeld, en trapwieler 

en snelwieler, snelspin, spin, hazewind, snelvoeter, tredensneller, snellewiel of zelfkar.

De aanwezige professoren kwamen niet tot een besluit. Een Vlaamse onderwijzer en letterkundige stelde toen het volgende voor:

Niet eene geleerde vergadering, een Congres, moet eene vertaling van het bedoelde woord geven; men moet die zorg aan het volk overlaten, dat gewoonlijk in het geven van benamingen niet achterlijk is.

En zo geschiedde: het volk verzon een woord voor het nieuwe vervoersmiddel.

Maar hoe?

In een Utrechtse krant stelde een 'eenvoudig Utrechtsch ingezetene' voor om vélocipède te vervangen door rijwiel, afgeleid van het volledig ingeburgerde rijtuig. Een mooie eerste stap. Rijwiel werd de officiële benaming voor dat nieuwe voertuig.

Maar hoe kwamen we dan aan het woord fiets?

Nou, dat is nog best ingewikkeld.

De eerste verklaring is dat het een verbastering van het wat lange en lastig uit te spreken vélocipède zou zijn. Het originele Franse woord werd bijvoorbeeld in Twente verbasterd tot

fielsepee, en in andere regio’s tot verdraaiingen als vieloziepee, viezepee, vielesepee, filesepee en fiesselepee. Deze zogenaamde tussenvormen werden tot viels verkort. Maar omdat het werkwoord vielsen niet behoorlijk werd gevonden, werd viels viets.

Van de v maakte men een f, omdat de zachte v te weinig snelheid en kracht uitstraalde, en omdat het woord er gewoonweg niet uitzag met een v.
Deze vrij logische verklaring wordt bekritiseerd vanwege het kip-ei-verhaal: kwam fiets van vélocipède of verbasterde men vélocipède pas naar fiets, toen het woord fiets al bestond?

Niemand weet het.

En er zijn andere verklaringen. Bijvoorbeeld die van meneer Viets, die in Wageningen een fietsenwinkel had. Elie Cornelis Viets was een smid, net als zijn vader en grootvader. Hij handelde in haarden, kachels, fornuizen, veevoederkookpotten, kolenbakken en petroleumtoestellen, en vanaf 1889 ook in vélocipèdes.
Ondanks dat de beste man zelf overtuigd was dat het voertuig van zijn naam was afgeleid, is chronologisch gezien de verklaring niet realistisch. Waarschijnlijk heeft zijn rijwielhandel wel goed bijgedragen aan de verbreiding van het woord fiets in Wageningen en omgeving.

Klanknabootsing kan ook een verklaring zijn voor het ontstaan van fiets. Volgens het Gelders dialect was fiets een klanknabootsing die snelheid uitdrukte. Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep. Of zoals een dame uit Nijmegen in 1901 in De Kampioen verklaarde:

Fiets, dat is een woord, niet gefabriceerd, maar geworden, ontstaan in en door het volk, als een pure uiting van wat bij het zien van dat ding in de ziel omging. Men zag het, zoo licht en vlug, het vloog daarheen, zjiest! en 't was weg! En zoo, gewoonweg, zei men, bij wat men zag en hoorde: da's een fiets!

De klanknabootsingtheorie heeft vele voorstanders. Volgens sommigen verklaart het ook waarom viets na verloop van tijd met een f werd geschreven, want: de f beeldde veel beter den snellen, geruischloozen gang van het inmiddels zoo verbeterde geluchtbande rijwiel uit.

Het kan ook zijn dat de fiets genoemd is naar de Engelse rijwielfabrikant Fitz.

Of, zoals ze in Apeldoorn beweren: dat een voorganger zomaar uit het niets zijn vélocipède tot viets had gedoopt, waarna alle leerlingen van de kostschool dit hadden overgenomen.

Viets of Fiets


Een dialectische verbastering behoort ook tot de mogelijke verklaringen. Verschillende regio's weten zeker dat de oorsprong van het woord fiets uit hun omgeving komt.

Van Venloosch pêrdje (paardje) bijvoorbeeld.

Of deze: in Oerle zou de boerin Marie Renders in haar jonge jaren de bijnaam 'Mie Fiets' hebben gekregen door de manier waarop ze liep. In Oerle betekende fietsen namelijk 'met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen', en dat kon Marie als de beste.

Of: Fietsken komt uit Groenlo, waar het 'een laatste restje' betekent, en dat zou in relatie staan met het minimum aan tijd dat men nodig heeft om zich te verplaatsen per rijwiel.

In Drente refereert men aan het woord fiets als 'zier': Ik doe der gien fiets meer of, betekent: daar kun je niet veel mee.

In Zuid-Limburg betekent vietse of fietse hardlopen, zich snel uit de voeten maken. In Noord-Limburg bestaat fiette, met een vergelijkbare betekenis.

Verschillende dialectologen vermoeden dat de verklaring uit Limburg wel eens de juiste kan zijn. Niet alleen klinkt het aannemelijk en zijn er geen echte tegenargumenten te verzinnen, het zou ook verklaren waarom fiets eerst met een v geschreven werd, en daarna een variant kreeg met de f.

Viets en fiets werden lang beschouwd als een volkswoord, een 'vulgair jongenswoord'. Pas sinds halverwege de twintigste eeuw durft iedereen - ook de chiquere mens - het woord te zeggen zonder zich te schamen.

Fiets.

Met dank aan Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord van Ewoud Sanders.