Bart pakt Vivians hand. Haar stappen zijn even groot als die van hem, maar haar hakken klinken zo veel harder. Samen lopen ze naar de lichtblauwe deur die voor hen open gaat. De arts knikt, mompelt ‘goedemorgen’, sluit de deur en wijst Bart de linkerstoel. Vivian neemt plaats naast hem. Haar elleboog raakt nog net die van hem.
De arts richt zich tot het computerscherm op zijn mahoniehouten bureau.
‘We zijn een stap verder. We weten meer.’
Bart vraagt zich af waar ‘we’ voor staat. Blijkbaar heeft niet alleen de man tegenover hem de glazen potjes waar de cellen van zijn vrouw en hem in ronddwaalden bestudeerd, maar ook anderen, artsen-in-opleiding of assistentes, je reinste ramptoeristen. Bart vouwt zijn handen in elkaar en weer uit elkaar en dan nog eens.
De arts glimlacht naar Vivian – verontschuldigend bijna – en richt zich tot Bart.
‘Ik heb slecht nieuws, vrees ik. U bent onvruchtbaar...’ De rest van de zin wordt onderbroken door een harde snik van Vivian. De arts schuift een doos tissues naar haar toe, maar het houten blad is te stroef en de doos komt slechts tot halverwege. Vivian veegt haar neus af aan de mouw van haar vest.
Barts hart klopt zwaar in zijn borst. Zijn mond is droog.
‘U zei?’
‘Azoöspermie. Een medische term voor het ontbreken van zaadcellen.’
‘Onmogelijk.’
‘Meneer Diependam,’ de arts leunt voorover, ‘en het spijt me zeer u dit te moeten zeggen, maar uw lichaam produceert de benodigde cellen simpelweg niet. Een aanmaakstoornis.’ Een grijze pluk haar schuift over het voorhoofd van de arts, hij vervolgt: ‘De diagnose komt voor bij slechts een paar procent van de mannen. Het is aangeboren, en niet te behandelen.’
Vivian fluistert: ‘Ik wist het, ik wist het, ik wist het.’
Bart staat op.
‘Gaat u alstublieft zitten.’
Hij balt zijn vuisten. Hij heeft zin om uit te halen, om de arts wakker te schudden, om de knokkels van zijn vuist op de stoïcijnse smoel van de man te laten landen, hard, heel hard. Zijn ogen speuren het houten bureaublad af, hij kan het pijnlijker maken als hij wil, met die pen daar, of die liniaal, of, of. Maar hij doet het niet. De hand van Vivian op zijn rug is vertrouwd, warm. Langzaam zakt hij terug in zijn stoel, zijn vuisten vallen in zijn schoot. Hij kijkt ernaar en probeert zijn vingers te strekken. Het doet pijn. Vivian buigt naar voren.
‘En nu?’ Haar stem is hees.
Bart staart naar de ingelijste satellietfoto van een eiland aan de muur. Vlieland, vermoedelijk.
‘De mogelijkheden zijn beperkt, maar er zijn andere methodes die tot zwangerschap kunnen leiden. Ik wil u graag die opties meegeven. Dan kunt u daar over nadenken.’
Mogelijkheden, methodes, opties. Bart zet zijn handen op het bureau en leunt voorover, hij komt los van de stoel, zijn ogen zijn vlak bij de neus van de arts. Een kleine neus, vrouwelijk.
‘Vertel me eens: waar leert u zoveel onzin te verkondigen?’
De arts schuift naar achteren. Precies onder de foto van Vlieland. ‘Ik begrijp uw teleurstelling. Verwijten zijn niet nodig. Neemt u uzelf niets kwalijk.’
‘Ik? Kwalijk?’
De arts schudt zijn hoofd. Zijn grijze haren veren op onder het langwerpige stuk land in het donkere water. De helft van het eiland is een zandvlakte, leeg en kaal. Een plek om in te verdwijnen, om in weg te zakken, als drijfzand. Bart kijkt naar zijn schoenen op het linoleum, bruine gympen op een donkerblauw marmermotief. Hij zou weg willen zakken door deze vloer, door de fundering, door de grond. Naar een universum waar hij niet hoeft na te denken. Achter hem fluistert Vivian zijn naam. Hij kijkt op naar de arts. Zijn eigen stem is hem niet bekend, breekbaar: ‘Hoe komt het dan dat ik al een kind heb?’


Dit is de proloog van Blauwdruk. Zin om verder te lezen? 

blauwdruk
Er was eens een land waar ouders hun kinderen een heel bijzonder sprookje vertelden. Het sprookje was verzonnen - echt grote onzin -, maar dat wisten de kinderen niet. Ze vonden het heerlijk om over te fantaseren en hun ouders vertelden het verhaal keer op keer.

De ouders hadden het sprookje ook van hun ouders gehoord toen ze klein waren, en zij weer van hun ouders. Een verteltraditie van generatie op generatie.

Het sprookje veranderde soms een beetje. Bijvoorbeeld als een kind kritische vragen stelde: dan werd er gewoon een nieuw stukje verhaal aan het sprookje toegevoegd, zodat het toch - een soort van - geloofwaardig bleef.

De kinderen die teveel kritische vragen stelden of gewoonweg te wijs geworden waren, ontdekten dan soms zomaar - van de een op de andere dag, in een fractie van een seconde, in een enkele zin - dat het sprookje een leugen was. Een heel pijnlijk moment. Met traumatische gevolgen.

Want in het land waar het sprookje van ouder op kind werd doorverteld, wist elke volwassene nog precies wanneer hij - op veelal tragische wijze - had ontdekt dat het sprookje verzonnen was. Dat zijn geloof in duigen was gevallen. Dat hij door zijn eigen ouders keihard was voorgelogen. Dat hij jarenlang van iets had gehouden dat niet bestond.

En toch, in dat land, met al die getraumatiseerde volwassenen, konden ze er maar niet mee stoppen. Zodra er een nieuwe burger geboren werd begon de ouder het sprookje aan het kind te vertellen. De herinnering aan de traumatische seconde werd overspoeld door de eer en het fijne gevoel om het sprookje nu zelf aan iemand te kunnen voorliegen. 

Fascinerend toch, Sinterklaas?

staf sinterklaas

Uit #boek3:

Op 28 juni 1914 wordt in Sarajevo aartshertog Franz Ferdinand, de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, vermoord. Wenen beschuldigt Servië van medeplichtigheid aan de moord en eist maatregelen. Belgrado weigert aan een ultimatum gehoor te geven en prompt verklaart Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog. En dan gaat het snel, als een waterval volgen de gebeurtenissen elkaar op. 

Rusland schiet de geloofsgenoten in het orthodoxe Servië te hulp en mobiliseert. Duitsland heeft, op zijn beurt, Oostenrijk rugdekking beloofd en brengt eveneens het leger in de hoogste staat van paraatheid. Dat leidt weer tot de mobilisatie van Frankrijk. 

Duitsland weet: om een oorlog op twee fronten te voorkomen, moet Frankrijk zijn verslagen voordat Rusland volledig is gemobiliseerd. De enige manier om Parijs snel te veroveren, is een omtrekkende beweging. Op 4 augustus, achtendertig dagen na het schot in Sarajevo, marcheren de eerste Duitse laarzen het neutrale België binnen en is de Eerste Wereldoorlog een feit. 

Meer dan een miljoen Belgen vluchten tussen 7 en 10 oktober 1914 naar Nederland.

(1 miljoen vluchtelingen op een bevolking van 6 miljoen Nederlanders!)

Noord-Brabant, Zeeland en Limburg worden overspoeld door vluchtelingen die in grote angst en nood huis en haard hebben moeten achterlaten. Na een paar weken keren veel van hen naar België terug, maar in november 1914 zijn er nog meer dan driehonderdduizend in ons land en uiteindelijk blijven er, na de sluiting van de grens in mei 1915, ongeveer honderdduizend Belgische vluchtelingen in Nederland over.

De grens tussen België en Nederland wordt door de Duitsers opgetuigd en is letterlijk van ijzer: een stalen gordijn waar 2000 volt op staat, bedoelt om spionageberichten en ‘oorlogsvrijwilligers’ te verhinderen het neutrale Nederland te bereiken.

Honderden mensen - vluchtelingen, gewone burgers - verliezen tijdens de oorlog het leven door het negeren van dit ijzeren gordijn.

uit: Elinea.nl

In november 1918 eindigt de oorlog en wordt de gemene elektrische grens meteen gesloopt door de omwonenden. Eindelijk. De palen en het draad worden door de boeren hergebruikt voor hun weilanden. Voor de dieren. Nooit meer mag er een ijzeren gordijn tussen mensen zijn. Nooit meer.

Meer weten over het ijzeren gordijn? Vluchtoord-Uden schreef er een uitgebreid artikel over.
Er zit een engeltje op mijn schouder. Vastgeplakt met gelukslijm.

De eerste keer dat de lijm goed getest werd, was toen ik als zesjarige met mijn nieuwe oranje fiets tegen een bus reed. Ik herinner me vooral het dropje dat ik als troost van een aardige mevrouw kreeg. Een beetje dromerig, diagnosticeerde de huisarts.

De tweede keer dat mijn engel op de proef gesteld werd, was ik niet dromerig maar dom. Ik was twintig en student. Mijn vader had me op zondagavond bij station Rijssen afgezet met een rugzak vol schone kleren. Ik stak het spoor over naar het perron voor de stoptrein, de slagbomen van de oversteekplaats gingen al dicht voor de aankomende intercity, en ik - anders dan mijn snuggere medetreinreizigers die snel onder de slagboom door kropen - stapte het perron op aan de verkeerde kant van het hek. Zo snel kwam die intercity niet voorbij hoor.
Station Rijssen

De intercity kwam razendsnel voorbij. Megasupersnel. Maar dat had ik pas door toen een man mij aan mijn rugzak over het zwarte hekje heen trok en ik de intercity langs mijn schoenzolen voelde razen. Net op tijd.
Beduusd lag ik op het perron, de rugzak naast me, een scheldende man boven me. Iets met onnozel wicht, idiote trut, imbeciel. Zijn scheldkanonnade smoorde mijn dankwoord en pas later, veel later, realiseerde ik me hoe dit had kunnen aflopen als die man er niet was geweest. Een engel.

Tien jaar later werd ik op een zaterdagochtend op weg naar het zwembad in Utrecht aangereden. Auto total loss. Ik niets.
(nouja wel iets; het hele gebeuren leidde uiteindelijk tot de eerste scene van mijn debuut Dieptepunt). Dankjewel engeltje.

Dieptepunt

En dan gisteren. Ik fietste omhoog, de berg op, om bij de volgende weg links af te slaan. Op die weg reed een auto, hij stopte en de bestuurder keek - zoals dat door het CBR wordt voorgeschreven - links, rechts, links. Ik stak mijn hand uit en draaide de weg in. Waarom ging die auto nou rijden? Ik had voorrang. Hallo? Hij had me toch gezien? 

Hij had me niet gezien. Ik riep, schreeuwde, gilde. Ik remde. Ik schoof van mijn fiets. De auto kwam dichterbij en dichterbij. Ik krijste, handen om mijn hoofd, knieën opgetrokken. Een halve meter nog.
En toen stopte de auto. Twee centimeter op tijd.

Gaat het? Ja het gaat wel. 
Pijn gedaan? Nee. 
Niets kapot? Nee. 
Sorry. OK.
Mijn schuld. Maakt niet uit hoor.

Ik stapte op mijn fiets, reed zo snel als Tom Dumoulin naar huis, plofte op de bank, snikte, huilde, jankte, pakte de laatste Sinas split uit de vriezer en bedankte mijn engel.

Blijf alsjeblieft zitten waar je zit.

Engel
In 1816 zijn de zomermaanden in Europa ongewoon koud en nat met zware regen-en onweersbuien. In Zwitserland sneeuwt het in juli in de bergen èn in de dalen, en vanaf augustus treedt in het grootste deel van Europa de nachtvorst in. Massale misoogsten zijn het gevolg, en dus hongersnood. In Wales trekken families van dorp naar dorp, smekend om eten. In Ierland breekt een tyfusepidemie uit. In Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk vinden opstanden en plunderingen plaats.

En dat komt allemaal door de uitbarsting van de vulkaan Tambora op het Indonesische eiland Soembawa in 1815. Het is de grootste eruptie in 10.000 jaar die door mensen wordt waargenomen. De uitbarsting leidt op Soembawa en omringende eilanden tot asregens en tsunami's.

Tambora vulkaan

Driekwart jaar later, in de winter, valt er in Hongarije en Italië rode en bruine sneeuw. De neerslag is vervuilt door de as van Tambora en er blijft een laagje nevel op het land liggen.

De vulkaanuitbarsting beïnvloedt het klimaat wereldwijd. China en Canada krijgen te maken met overstromingen en droogte. In Europa wordt het een zomerlang ijzig koud en sterven er 200.000 mensen.

Het kleine beetje eten wat er nog is, kan niet gedistribueerd worden, want ook de paarden overleven de kou en honger niet. Het transport in Europa valt compleet stil.

En dan, in al die ellende, is daar de Duitse uitvinder Karl Drais. De 'Professor der Mechanik' heeft een ingeving. Zo gaat dat in de geschiedenis: crisis leidt tot creativiteit. Karl maakt een houten loopfiets. Het ding weegt 22 kilo (een fiets uit het nu weegt zo'n 15 kg) en hij legt er 13 kilometer in één uur mee af (een fietser uit het nu - wielrenners uitgesloten - fietst ca 20 km/uur).

Draisine

Helemaal niet slecht dus die eerste fiets. Weliswaar had het ding geen trappers of rem, laat staan een witgeschilderd spatbord of reflectoren, maar de tweewieler was geboren en het eten kon weer worden rondgebracht.

Vijftig jaar later werden de kettingkast en de trappers toegevoegd. En nog eens tien jaar later kwamen de banden vol met wind.*



Met dank aan Wikipedia.
Eén jaar van ons leven wachten we. We wachten op de post, op de trein, op de liefde en op nog veel meer. Wachten. Totdat het beloofde/verwachtte/gehoopte arriveert.

Stoplicht rood

Ik wachtte vanaf mei op jeukende schrijfvingers, op verteldrang. Dat wachten was aanvankelijk prima te doen. Geen onrustige nachten meer door spontane invallen, geen niesaanvallen door stoffige oude documenten, geen zere ogen van het turen naar een computerscherm.

Het zou vanzelf wel weer komen, die inspiratie om te schrijven. Tijdens de vakantie bijvoorbeeld, als ik in de rij zou staan voor de Duomo in Florence of op het strand stil moest blijven liggen tot ik helemaal ingegraven was of bij het stoplicht van de Gotthardtunnel. Ja dan, zou ik zoveel geniale invallen krijgen dat mijn dunne schriftje nooit genoeg was.

Gotthardtunnel file

Er kwam geen letter op papier. Drie maanden lang nada, noppes, niets.

Het Calimero-effect was daar: Ik zou niet één jaar, zoals elke burger betaamt, maar minstens vijftien maanden moeten wachten op iets in dit leven. En misschien nog wel veel langer....

Oh gruwel. Een writer's block lag op de loer. Geen Duomo die mij daar bij kon helpen.

Duomo florence

Bij thuiskomst vond ik tussen de stapel post het tijdschrift Schrijven magazine. Ik bladerde moedeloos en met een fikse dosis zelfmedelij door de pagina's. En toen las ik dit:

STOP NOOIT. (en als je toch per ongeluk gestopt bent:) BEGIN.

Een inkoppertje, weet ik ook wel. Natuurlijk, niet zeiken, niet zielepieten, niet achterover leunen en wachten, maar hupsakee zitten en schrijven. Maakt niet uit wat. Uiteindelijk komt dat geniale schrijfsel er dan wel.

Het duurde toch nog twee weken (want tsja, Calimero) voordat ik me vastplakte aan mijn bureaustoel en de laptop open klapte. Maar het lukte. Ik schreef weer.

Ik schreef een stukje over wachten.
Nederland capituleert op 15 mei 1940.
Maar er is één stukje Nederland dat dan nog niet door de Duitsers bezet is.

Een fragment uit #boek3: 

Vanaf de eerste oorlogsdag op 10 mei zijn Franse militairen Zeeland binnengetrokken om de Nederlandse troepen te versterken. Het zijn dan ook niet de Zeeuwen zelf, maar de Fransen die zich hebben verschanst achter het kanaal door Zuid-Beveland, om de Scheldemonding veilig te stellen en een aansluiting met het geallieerde front in België te creëren. De Fransen houden moedig stand.

Op 17 mei besluiten de Duitsers om ‘het bombardement van Rotterdam’ te herhalen. Middelburg is het doelwit. Met kanonnen en vliegtuigen wordt de historische stad volkomen in puin geschoten en Walcheren capituleert. De Fransen trekken richting Vlissingen en steken de Westerschelde over naar Zeeuws-Vlaanderen.

Middelburg 1940
Middelburg (via www.omroepzeeland.nl)

In het westen van Zeeuws-Vlaanderen hebben springcommando’s uit België enorme ravages aangericht door bruggen, wegen, kerken en andere grote gebouwen op te blazen in een poging de opmars van de Duitsers te remmen.

Maar de Duitsers komen helemaal niet. Ze gaan naar het zuidoosten, de teruggetrokken Franse en Belgische legers achterna en laten het westen van Zeeuws-Vlaanderen ongemoeid, in vrijheid, voor even.

Op 29 mei komt het Duitse leger terug. Een dag later bezetten de Duitsers het laatste stukje van Zeeland. Pas dan, op 30 mei 1940, is West Zeeuws-Vlaanderen - en daarmee heel Nederland - in Duitse handen.

West Zeeuws-Vlaanderen

Over voetbal? Ja. Er zit me namelijk iets vreselijk dwars.

Ik ben opgegroeid met zondagavond-7uur-bordopschoot-stilzijn-studiosport. Ik ben zeker vijf jaar verliefd geweest op Bennie Wijnstekers en daarna vijf jaar op Wim Kieft. Ik heb mijn - uiteindelijke - grote liefde ontmoet tijdens het EK 2000. Ik heb tientallen keren geblauwbekt op een tribune van een voetbalstadion. Ik heb - in al mijn bescheidenheid - recht van spreken.

En ik durf te stellen dat voetbal de meest A-CREATIEVE sport allertijden is.

Zo.

Gisteren bijvoorbeeld: Barcelona - Bayern Munchen. Terwijl manlief en de rest van twitterland juichend de acties van de miljoenenkostende spelers beoordeelde, gaapte ik, en nog eens. SAAAAI.

Ik zag niks nieuws.

gras voetbal

Natuurlijk kan Messi goed voetballen en de rest van het veld ook. Strakke assists, sterke cirkelpressie, doordachte passes. Allemaal waar.

Maar ik verveelde me dood.

Op het voetbalveld gebeurt al decennia lang elke keer precies hetzelfde. Dat de spelregels niet veranderen (in tegenstelling tot bijvoorbeeld schaatsen of hockey) durf ik niet te veroordelen (al doe ik dat natuurlijk wel - flikker toch op met je buitenspel en die extra minuten speeltijd), maar dat de sport door een team altijd op dezelfde manier wordt uitgevoerd is buitengewoon SLAAPVERWEKKEND.

Twee voorbeelden:

Misschien maar de helft van alle doeltrappen komt terecht bij een medespeler, die de bal dan maar moeilijk meteen onder controle krijgt. Alle andere keren heeft de tegenstander de bal te pakken. Balverlies dus. Waarom dan toch altijd die doeltrap? WAAROM? Is een doordachte - jahaa hersens gebruiken - opbouw van achteren dan zo tijdrovend? Het zou zoveel meer spelvariatie geven.

De hoekschop is altijd een lange trap naar een groepje voetballers die zo'n beetje vanaf de penaltystip naar het doel rennen en - met dichte ogen! - proberen de bal in het doel te koppen. Nooit eens gewoon lekker een een-tweetje naar een medespeler en dan de bal achterlangs verleggen en de verdediging uitspelen of een afstandsschot. NOOIT!

tactiek

Altijd weer hetzelfde.

Goed. Dat zit me dus dwars.

En ik verwacht heus niet dat Koeman en Van Gaal hun tactiek wat creatiever gaan insteken na het lezen van dit blog. Dit blog gaan ze ook helemaal niet lezen. Dat weet ik allemaal wel.
Maar ik vind het wel fijn dat jij de moeite genomen hebt.

Dankjewel.
Ik voel me al een stuk beter.
De deur schuift dicht.
En ik sta buiten.
Plof.
Daar ligt de last.
Gewoon op de stoep.
Van mijn schouders af gevallen.

Niet achterom kijken nu.
Rug recht.
Kin omhoog.
Voorwaarts mars.
Naar een nieuwe baan.

Zin in.

zin
Zes jaar lang woonde en studeerde ik in Delft. De historische binnenstad, het recreatiegebied 't Delftse Hout en een stukje universiteit vormden het decor van de thriller Blauwdruk. Mijn herinneringen bleken een vat vol inspiratie. Alleen maar goede herinneringen trouwens; van zingen in een bandje (auh!) tot een fijn huis vol vrienden. Voor Blauwdruk keerde ik terug naar Delft om research te doen. Wat was de stad veranderd! en toch, tegelijkertijd, gewoon nog hetzelfde: de Beestenmarkt, de Doelenstraat, de Buitenwatersloot.

Dit jaar kwam Delft naar mij, in twee etappes. Eerst was daar Sam, die zijn studie materiaalkunde had ingeruild om fotograaf te worden, en die mij - ploetermoeder op vrijdagmiddag - in beeld wist vast te leggen als 'kan er nog prima mee door'.

tweet foto


Toen kwam Connie, journaliste van Delft Integraal, die me uithoorde over mijn leven na Delft, en met wie ik schrijverservaringen uitwisselde en even zoveel herinneringen aan Delft.

Deze week, zeventien jaar nadat ik Delft verliet, staat mijn interview in het blad van de universiteit. Bij een ieder die ooit iets met de TU te maken had, lig ik op de mat. Grappig en gaaf. Want ineens is daar weer contact met die oud-medestudenten en uit het oog verloren huisgenoten. Delft is weer dichtbij. Net als al die herinneringen.


Ik had het in eerste instantie ook niet zo snel gezien hoor, die gelijkenis tussen Andy Murray en mezelf.

Nee, ik bedoel niet dat tennisracket, dat nakijken van de bal - vol spanning, met open mond -, of die rossig-bruine krullen.

andy en ik

Wat Andy en ik delen is een briefje.

Andy Murray schreef een briefje aan zichzelf vlak voor de kwartfinale van de Rotterdam Open. Hij legde het op een tafeltje naast zijn stoel, om er tijdens de pauze steeds even naar te kijken.


Fascinerend. Een tennisser in de top van de wereldranglijst die zichzelf scherp houdt met een briefje.

Tennis is, zo weet ik sinds die ene wedstrijd die ik ooit speelde en met 6-0 6-0 verloor, een eenzame sport, ongeacht het aantal toeschouwers. Bij mijn wedstrijd op het achterste baantje kwam niemand kijken, als Andy speelt wel. Duizenden mensen in het stadion, en met een beetje geluk - miljoenen via de televisie, volgen elke beweging, en al die uren dat Andy tegen die bal aan staat te meppen, praat hij met niemand. Met NIEMAND!

Net als ik.

Afgelopen week was NIEMAND gerechtigd tegen me te praten. Ik had mijn eigen grand slam finale te winnen tegen mezelf, namelijk de laatste check van mijn manuscript. Ik had focus nodig en concentratie en een briefje.


Het lijstje met aandachtspunten hielp me door mijn manuscript heen, net zoals het briefje op de tennisbaan Andy steunde.

Nu is mijn manuscript af en daarmee is het briefje nutteloos geworden, maar ik bewaar het toch, als een soort talisman. Andy won Wimbledon en de US Open, en ik weet: #boek3 wordt geweldig.

Allemaal dankzij dat briefje. 
Onderstaand verhaal maakt me HEEL ERG HYPER en ook heel erg stil.

De factor TOEVAL is groot. Absurd groot. En de droefenis ook.

Lees zelf maar:

Afgelopen zaterdag pakte ik het boek 'Boven Water. De watersnoodramp van 1953 in Oost-Zuid-Beveland in woord en beeld.' geschreven door oa. Meneer van Loo, uit de grote bak met boeken die mijn vader voor me had achtergelaten.


Boven water

Ik blies in en uit en nog eens en sloeg het boek open. Het hoofdstuk '1953' van #boek3 moest geschreven worden, het hoofdstuk over de watersnoodramp in Kruiningen. Dus hup, aan de research.

Indrukwekkende zwart-wit foto's vulden mijn hoofd.
Daar: de neef van mijn vader, zonder huis, zonder kleding, zonder iets. Daar: de boerderij waar mijn overgrootouders hun gezin stichtten: compleet onder water. Daar: het spoorwegwachtershuisje, de starterswoning van mijn grootouders en de plek waar mijn vader geboren werd, verwoest.

Foto ANP, Utrechts Archief

Er zat een hele dikke brok in mijn keel en die ging niet weg.

Op zondag ploeterde ik door nog veel meer boeken en online archieven. Ik las over de slechte gesteldheid van de dijken en over Het Drie Eilandenplan, dat te laat kwam. Over hoe, door een noodlottige samenloop van omstandigheden, Zuid-West Nederland midden in de nacht verrast werd door de stormvloed. Ik schreef over de verkleumde inwoners die in die koude januarinacht boven op de daken van hun huizen wachtten en wachtten, met onder hun een kolkende zee. Regen, storm, hagel en sneeuw. Huisraad dat voorbij dreef. Hulp die uitbleef. En een tweede vloed op 1 februari. Er vielen 1836 slachtoffers.


Toevallig zeg, dacht ik nog, een nieuwsbericht over de watersnoodramp, terwijl ik verder aan mijn hoofdstuk '1953' schreef. 
In Kruiningen kwamen op 31 januari en 1 februari 1953 tweeënzestig inwoners om. Vier daarvan werden nooit teruggevonden. Een broer van mijn oma wel, zes weken na de ramp. 

Het huis van mijn moeders' broer, via www.deramp.nl

Op dinsdag kwam het vervolgnieuws: 'De zoon van de alsnog geïdentificeerde vrouw komt uit Kruiningen en is in 1937 geboren'

Goh. Net als mijn vader: ook in Kruiningen en in 1937 geboren.

Toeval? Al die Kruiningen-en-watersnood-dingen die in vier dagen samen komen?
Het werd nog veel erger.

Op dinsdagavond ging ik op zoek naar informatie over een brand in Kruiningen rond 1970. Ik raadpleegde de krantenbank van Zeeland en Google, die me doorstuurde naar een facebookpagina: Kruiningen toen en nu

Berichtje gestuurd. En ja! Er kwam een reactie, mijn vragen werden beantwoord en er volgde een lang gesprek. Toen hij, de beheerder van de facebookpagina, iets hintte als: 'Ik heb ooit eens een studie gedaan naar de watersnoodramp in Kruiningen,' keek ik nog eens goed naar zijn naam... Meneer van Loo!... de schrijver van het boek waar ik zaterdag dit hele verhaal mee begon.


boven water

Het TOEVAL.
Stil van.

En nu, op donderdag, krijg ik het volgende - TOEVALLIGE - bericht: de zoon, wiens moeder geïdentificeerd is na 62 jaar, heeft ook in datzelfde spoorwegwachtershuisje gewoond.
Ooit was ik schilder. Op houten panelen of witte doeken, met plakkaatverf en olieverf. Ik probeerde een verhaal te vertellen met een penseel en een palet.

Kunst Maria Rijk

Ik meldde me bij de kunstacademie en werd toegelaten (ja echt!). Maar als dertiger met een zwangere buik en een hypotheek was ik er toch niet helemaal thuis. Ik hing - vlak voor de bevalling - mijn penselen aan de wilgen en heb ze al tien jaar niet meer aangeraakt.

Geen spijt hoor. Helemaal geen spijt.

Want ik werd schrijver, en dat is eigenlijk net zoiets als een schilder. Bij de thrillers Blauwdruk en Dieptepunt begon ik met een blanco vel en vulde die, en nog een, en nog een, met elke ingeving die ik tijdens het schrijven kreeg. Ik herlas het dikke pakket papier, ging er met een rode pen doorheen, liet anderen er naar kijken en werkte net zo lang door totdat het verhaal op de juiste manier verteld werd. Precies zoals ik eerder schilderde.

Dat was het schrijfproces van mijn thrillers. Maar nu ik aan #boek3 werk - een historische roman - ben ik geen schilder, maar een beeldhouwer.

In plaats van te beginnen met een wit vel, is mijn startpunt een massa materiaal.

Ik verzamel foto's, ansichtkaarten, boekhoudschriftjes en dikke boeken, hele dikke boeken. Ik interview en zoek in archieven. Ik lees en ik kijk, ik bouw op, breek af en herbouw. Mijn blik over ruw materiaal. Denken, draaien, voelen.

schrijfsel

Ik boetseer een verhaal uit een stapel aantekeningen, herinneringen en schrijfregels. Langzaam maar zeker krijgt de homp materialen een definitieve vorm: het verhaal wordt verteld.

En dat voelt geweldig.

Dat voelt als kunst.
Het eerste stuk van #boek3 speelt zich af op 17 april 1945 en is gebaseerd op de aantekeningen van KeesBij deze een voorproefje ...


Wasserschutz

De Wieringermeer; een uitgestrekte vlakte met boerderijen op rechthoekige kavels, akkers vol goudgeel koolzaad en voorjaarsgroene weilanden tot aan de horizon. Een blauwe lucht. Hier en daar een kerktoren. De polder is precies zoals hij ooit bedacht is.

Het is april 1945. De Hongerwinter heeft veel mensen naar de boerderijen gebracht, uit Amsterdam, uit Haarlem, uit de dorpen eromheen, zelfs uit Rotterdam komen ze lopend, uitgehongerd, dodelijk vermoeid, om op de boerderijen soep en aardappelen te krijgen en een warm bed in het stro. Kinderen blijven wekenlang om aan te sterken. Jonge mannen duiken onder om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Het kan in de Wieringermeerpolder. Er is genoeg eten, er is genoeg plaats. Het perfect ingerichte stuk nieuw Nederland, waar de oorlog geen vat op heeft kunnen krijgen.

Kees en Naan horen ’s nachts de kanonnen bulderen aan de overkant van het IJsselmeer, in Friesland. De Canadezen brengen de Duitsers steeds verder in het nauw. Het kan niet lang meer duren voordat ze via de Afsluitdijk ook de Wieringermeer bevrijden. Hoop zingt rond boven de vlakke polder; na de barre winter is het al weken mooi weer, de ondergedoken mannen werken mee op het land, de voorjaarszon kleurt de bleke wangen van de kinderen roze. De oorlog zal zonder rampspoed aan Kees en Naan voorbij gaan. Zo lijkt het.


Wordt vervolgd ...


Wieringermeer
Een oude dame sprak me aan: 'U ben toch die schrijfster?'
Ik knikte.
Ze vervolgde: 'Ik ga uw boek nooit lezen hoor, veel te eng.'

Ik snap dat wel. Ik heb ook een paar boeken die ik nooit ga lezen. Uit principe.

stapel boeken

Bovenop mijn Nooit-te-lezen-stapel liggen deze:

1. Vijftig tinten grijs. Dat vind ik nou een eng boek.

2. In de ban van de ring. Ik kan het niet: opgaan in een verhaal vol fantasyfiguren. Hongerspelen en Hobbits, nee. Harry Potter? Ja die wel, maar die bestaat toch gewoon?

3. Alle boeken van Daphne Deckers. Ze schijnt humorvolle boeken te schrijven vol zelfspot, waar ik normaal van hou, maar in haar geval... Ik wil haar boeken niet eens aanraken. Het gaat erom dat ze nooit met Richard Krajicek had mogen trouwen. Dat wilde ik.

4. Eline Vere. 125 jaar oud en een duidelijk gevalletje 'niet tijdloos'. Ik heb het geprobeerd: elke ochtend in de trein dwong ik mezelf tot een paar regels trage tekst. Nooit verder gekomen dan pagina 4. En dat lag niet aan het korte ritje.

5. Biografieën. Mijn eigen leven is al amper te behappen, om dan ook nog eens die van een ander erbij te krijgen. Poeh. Respect hoor, voor al die biografie-lezers.

En jij? Nog aanraders voor mijn stapel Nooit-te-lezen-boeken?
Vier maanden geleden schreef ik een blogje op een stuk papier. Midden in de nacht, doorspekt met emoties.

Een blogje over het leven en de dood.
Ingewikkelde materie.

Het papiertje lag lange tijd veilig opgevouwen onder een rommelbakje op mijn bureau. Tot gisteren. Toen publiceerde ik het blogje.

Vanochtend heb ik het blogje weggehaald van deze site, het papiertje opgevouwen en weer onder het rommelbakje geplaatst.

Dat is toch de beste plek.
Veilig.

Misschien, over een paar maanden, durf ik het wel.

Delete
Zo logisch als het hierboven staat, zo verrassend is deze ontdekking voor mij.

Ik zal mijn eenvoudig denkpatroon opbiechten: als ik een oude dame/heer zie lopen over straat, dan denk ik: 'zo'n kleur rollator heb ik niet eerder gezien,' of: 'wat een kwiek dametje/heer'. Ik denk nooit: 'Die dame/heer loopt hier nu wel met een krom ruggetje en een slakkengang maar was vijftig jaar geleden vast een ontzettend soepele danseres of succesvolle zakenman.'

Dame wandelen

Het is gewoon best lastig om in een rimpelig gelaat met witte haren de voorbije jeugd te zien.

Ik verwacht overigens ook niet als iemand de wallen onder mijn ogen en de grijze sprieten in mijn haar ziet, denkt: 'die vrouw was vast ooit helemaal de bink met haar groene Vespa Piaggio.'  

Maar goed. Nu over mijn oma.

Ik zag mijn oma zo'n drie keer per jaar. Anders dan vriendinnen die elke zondag bij hun oma op bezoek gingen - en doordeweeks ook nog hun grootmoeder zagen omdat ze bij hun in de straat woonde, bivakkeerde mijn oma op twee uur rijden van ons vandaan.
Tweede kerstdag, tweede paasdag en rond haar verjaardag in september zag ik haar.

Mijn oma droeg een bloemetjesjurk, dikke bruine kousen en beige veterschoenen met gaatjes. Ze had een vrijstaand huisje met een fikse tuin: een kippenhok, een druivenkas, een appelboom en een moestuin. Ze zei nooit zoveel, niet tegen mij in ieder geval, maar dat hoefde ook niet. Het was gewoon prima om een dagje bij haar rond te hangen.

Verder wist ik niet zo veel over mijn oma.

Tot nu.

Mijn oma was twintig in de roaring twenties. Ik vond een foto van haar uit die periode, liet verschillende kwartjes vallen en reconstrueerde haar jonge jaren.  

Vrouwen nemen in de jaren twintig – nadat er in Europa miljoenen jonge mannen zijn gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog – meer en meer deel aan het arbeidsproces. Ze willen daarom gemakkelijke kleding dragen. 
In Noord-Brabant zijn in het begin van de jaren twintig de rokken nog lang, zeker op het platteland, maar in de stad, in Roosendaal, komt daar langzaam maar zeker verandering in. Eerst komt de roklengte nog tot de enkels, maar al snel gaat de hoogte opwaarts. Een zakachtige rok die met een band bijeen gehouden wordt is in de mode. In 1925 raakt de zoom nog net de knie, maar twee jaar later bevindt deze zich zelfs boven de knie. 
Nadat couturier Coco Chanel haar haren kort knipt in 1921, doet de hele modewereld haar na en wordt de bob-lijn de overheersende haardracht van de jaren twintig, gladgekamd en met een spuuglok op de wang. Lang haar is uit, ingewisseld door kleine hoeden die net om het hoofd passen. ’s Avonds – als het tijd is om uit te gaan – worden mooi versierde tulen haarbanden gedragen, vaak afgezet met glasparels.


Jaren twintig

De jongedame, die later mijn oma zal worden, koopt een grammofoon - zo'n platenspeler met een enorme toeter -, knipt haar haren kort, laat haar onderbenen zien en gaat uit dansen. Ze is jong, eindelijk onder het juk van haar vader vandaan, zelfstandig - want een eigen slagerij -, en zorgeloos. Ze droomt over haar toekomst, zoals elke twintiger dat doet.

Mijn oma is al 23 jaar dood, maar ik leer haar steeds beter kennen.
Daar ben ik blij om.

En ik kijk sinds kort anders naar oudere mensen. Er gaan wat verhalen verscholen achter rimpels en lichamelijke ongemakken. Dus pas maar op beste oudjes, ik zou er zomaar eens naar kunnen vragen.
'Nou, dan doen we nu het rondje goede voornemens.'

- gemompel, gezucht -

'Eerst moet iedereen zeggen of het voornemen van 2014 is uitgekomen, en dan wat het voornemen van 2015 is.'

- vragende blikken -

'Nou, wie gaat als eerste?'

- absolute stilte -

'Ik!'

- opluchting bij de 22 anderen aan tafel -

'Ik zei vorig jaar dat mijn tweede boek er ging komen, en tadaa! en in 2015 komt mijn derde boek. Simpel.'

- applaus -

Zelden smaakte champagne zo lekker.

Champagne