Mijn opa schreef een verslag over de onderwaterzetting van de Wieringermeerpolder. Ik heb het vandaag eindelijk gelezen.

Het document telt tien vellen met krulletters en begint zo:
10 april 1945
De wrede oorlog loopt ten einde. We horen al kanonnen bulderen in Friesland, gevechten van de Canadezen tegen de Duitsers. De mensen krijgen een gevoel van opluchting nu de bevrijding van het tartarendom schijnt te naderen.
Intussen werkt de boer op het land, geholpen door het mooie voorjaarsweer zodat alles vlug en goed verloopt. De mooie Wieringermeer belooft weer veel. De koolzaadvelden staan al prachtig in bloei en onze vier bijenvolken verzamelen volop honing. Het vee wordt uit de stallen naar de weiden gebracht, de vrouwen zijn bezig met de grote schoonmaak en we hopen dat de oorlog zonder grote rampen aan ons voorbijtrekt.

... en dan blazen de Duitsers de dijken op en stroomt alles onder...

verslag Rijk

Wordt vervolgd.
Ik was vandaag op een kerkhof in Zeeland, helemaal alleen, te midden van scheefgezakte grafstenen en modderpaadjes. Ik wist niet hoe ik me voelde: meelevend om de tragiek die van de grafstenen af te lezen was of nerveus omdat de situatie - een helemaal leeg kerkhof behalve ik en ... nou ja - me herinnerde aan die videoclip van Michael Jackson.

Het was lang geleden dat ik op een kerkhof was geweest.
Gelukkig, dacht ik nog.

Gelukkig? Nee. Dat was helemaal niet goed, dat ik dat dacht.
Ik zou veel vaker op een kerkhof moeten komen. Niet om iemand te begraven - nee alsjeblieft niet, maar wel om te gedenken, om te berusten, om stil te staan bij het leven en om de grafstenen van mijn voorouders wat op te poetsen. Want ik zag graven van 2 of 3 jaar oud met teksten als 'onze zeer geliefde moeder' en 'wij zullen u nimmer vergeten' en 'voor altijd in ons hart' met barsten in het marmer en compleet overwoekerd door onkruid.
De vergeten grafstenen stemden droevig.

Tot ik bij dat ene graf kwam. Hij lag wat alleen, die man die 86 was geworden, en nu precies 83 jaar en 6 dagen onder de grond lag, maar op zijn graf stond een nieuw plantje, in een blauwstenen pot en met ontluikende paarse bloemetjes. Iemand dacht nog steeds aan hem. Mooi zeg.

Ik verliet het kerkhof met hoop, en bakken vol inspiratie.
Ik mag de biografie schrijven van een inmiddels overleden persoon, die per ongeluk (dit is een bizar onderdeel van het levensverhaal) geboren werd in een klein dorp in West Brabant.
Het is een eer, maar ik heb geen ervaring in het schrijven van biografieën. Daarom zat ik gisteren bij Scriptplus in Amsterdam, bij de workshop Levensverhalen schrijven.
Er was maar een andere medecursist. In het voorstelrondje vertelde ze dat ze uit West Brabant kwam.

Je raadt het al.
Haar woon-en geboorteplaats (en die van haar voorouders) was hetzelfde als die toevallige geboorteplek van mijn hoofdpersoon.

Ik heb even mijn wiskundeknobbel wakker geschud en kwam tot de conclusie dat de de kans op een dergelijke ontmoeting 0,03% is.
(aantal inwoners dorp/aantal inwoners NL) = 4.900/16.805.037 = 0,03%

Toeval?
Nee, ik denk dat het een seintje van boven is, dat ik goed bezig ben.

engel
Vandaag was ik in het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), gevestigd in het zeventiende-eeuwse fort de Citadel in Den Bosch. Mooi, heel mooi, maar ik kwam niet voor het fort. Ik was daar omdat ik op het online archief van het BHIC onder het kopje 'Criminele voorouders' mijn oma's naam had ontdekt. Een smetje, een foutje, een overtreding, een misdaad; ik had geen idee wat mijn oma had uitgespookt.

Proces-verbalen en vonnissen zijn niet online in te kijken, en daarom toog ik naar dat fort. En daar zat ik, te midden van dertien kartonnen dozen met massa's gerechtelijke documenten, aangedragen door een kromme morsige man (zoals een archiefmeneer hoort te zijn).

Vonnis oma

Ik moest wat ingewikkelde krulletters en ouderwetse woorden doorgronden en wist het toen:
Mijn oma, 22 jaar, wordt op 6 december 1923 staande gehouden met haar rijwiel (lees: fiets) op de weg Rucphen-Zundert (het vroor en het was een pokke-end, zo heb ik later opgezocht). Ze kan niet de rijkaart 1923/1924 die bij het rijwiel hoort tonen, en daarom krijgt ze een rechtszaak aan haar rok wegens 'overtreding tegen het weggeld.'

Het weggeld?
Ja, het weggeld: In 1907 wordt door de provincie Noord Brabant besloten dat iedereen die gebruikt maakt van de provinciale wegen (en auto's waren er amper nog) met een fiets, een paard en wagen, al zit iemand op een muilezel, belasting moet betalen.
Wow.
Dat wist ik niet dus hè. En dat heb ik vandaag ontdekt.

De rechtbank veroordeelde mijn oma tot 3 gulden boete of 3 dagen hechtenis. Een vrij klein smetje, vind ik.

Wat heb jij vandaag ontdekt?

Nav dit blog vroeg het BHIC me een blog te schrijven over mijn bezoek aan het Citadel. Het verscheen op brabantbekijken.nl. 
'Mama! Er staan drie brandweerwagens voor onze deur!'
Ik rende naar de woonkamer en stelde me naast mijn kinderen op voor het raam. Vrijdagmiddag, even voor zes uur, vier neuzen vastgeplakt aan het glas: drie brandweerwagens, acht brandweermannen en talloze slangen die over de weg en de stoep kronkelden.

De brandweermannen liepen naar het huis van de overburen. Door de schemer en de felle brandweerlampen konden we het tafereel niet volgen. Wat gebeurde er?
Daar, daar kwamen ze uit hun huis, onze overburen, een jong gezin met een dochter van vier en een hond als Lassie. Ik rende naar buiten, bood onderdak aan, koffie, een maaltijd.
'Nee hoor, alles prima, gewoon een schoorsteenbrand.' Mijn overbuurvrouw lachte ontspannen.

Met mijn kinderen volgde ik het spektakel vanuit onze woonkamer. De brandweerladder zoefde omhoog en mijn kinderen juichten. Het overbuurmeisje zwaaide vrolijk naar ons.
Ineens zag ik het terug.

Zeven jaar oud was ik, in een nachtpon en op blote voeten. De heldere sterrenhemel werd door rookwolken overstemd. Voor me brandde onze caravan. De witte caravan met oranje gordijntjes, waar we de week erop mee op vakantie zouden gaan. Er was een brandweerwagen, brandweermannen en vlammen, oranje en blauw, knetterend, grillig, die de caravan leken te omarmen. Mijn jongste broer huilde. Ik niet. Ik lachte een beetje stoer. Mijn arm deed nog pijn van het getrek van mijn oudste broer.

'Uit bed!' Mijn broer sloeg de deken van me af en trok aan mijn arm.
'Ga weg.'
'Er is brand!'
Mijn broer trok me uit bed. Hij sleurde me mee de trap af, naar de garage, en toen we buiten stonden zag ik de vlammen. Ik rook de stank. We renden over het pad, langs de bomen die al vlam hadden gevat, naar het grasveld, waar we mijn andere broer en mijn ouders omhelsden.

Een pyromaan, zei de politie.
Wat een mazzel, zei de brandweer, dat de gastank leeg was.
Een groot geluk, zei mijn vader, dat de overbuurman niet kon slapen. Als hij de brand niet had gezien en ons wakker had gemaakt, dan ... - de zin maakte hij niet af.

Zo stoer als ik toen deed, zo relaxt stond mijn overbuurmeisje er vrijdag bij, en zo onrustig maakt deze blog me.
Ik ga het gewoon nog eens doen: ploggen. 
Dit was mijn dag.

Zoet ontbijt
Zoet ontbijt


Mekkerende wezens krijgen de ontbijtresten.
Mekkerende wezens krijgen de ontbijtresten. 


Vriendinnetje Loes heeft nieuwe huisdieren. Ooooh en Aaaah  
Vriendinnetje Loes heeft nieuwe huisdieren. Ooooh en Aaaah.

 
 Bestseller schrijven.
Bestseller schrijven.


Sinterklaas kwam nog even langs om mijn nieuwe schoenen te brengen.
Sinterklaas kwam nog even langs om mijn nieuwe schoenen te brengen.


Kinderen bij elkaar sprokkelen.
Kinderen bij elkaar sprokkelen.



Verantwoorde voeding.
Verantwoorde voeding.


Boekbesprekingboek lezen met zoon.
Boekbesprekingboek lezen met zoon.


Nog even een stukje fietsen.
Nog even een stukje fietsen.


Dit is de mol.
Dit is de mol.

Saai eigenlijk zeg, zo'n dag. 
*plop*
Willekeurige citaten van dorpsgenoten:

'Ik zet nooit mijn fiets op slot.'
'Onze achterdeur laat ik altijd open.'
'Mijn kind loopt alleen naar school.'
'Hier gebeurt nooit iets.'

Acclimatiseren moet ik. De paranoia die ik heb opgebouwd in de stad voor onveilige verkeerssituaties en wanhopige junks probeer ik sinds twee jaar los te laten. Ik wil chill worden.

Het lukt. Relaxter en relaxter word ik, jubelend over het dorpse leven, totdat ik een dikke stinkende hondendrol in mijn voortuin vind. Een persoonlijke aanval, stiekem en vies, zo voelt het. Shitbeest.

Wraak. Ik maak een plan om een overvolle poepluier door de brievenbus van het baasje te proppen, om een vuilniszak leeg te strooien op zijn stoep, om hem eens even goed - gepaard met wat scheldwoorden - de waarheid te zeggen.

Maar ja. Er staat geen naam bij de drol.
Dus nu zit ik achter het gordijn verstopt en hou ik elke voorbijganger met een hond in de gaten. Ik heb geen idee welk type hond welk type drol schijt en dus is iedere hondeneigenaar een potentiële vijand.

Is er eigenlijk gif voor zoiets? Niet dat die hond meteen dood moet hoor, maar dan kan ik er in ieder geval mee dreigen. Prikkeldraad, zou ook kunnen, of schrikdraad, nog beter.

En verder: ik zet mijn fiets gewoon weer aan een lantaarnpaal vast, er komt een extra slot op de achterdeur en er gaat geen kind van mij meer alleen de deur uit. Poepdorp.

Hoofdpersonage van #boek3 bezorgt me al nachtenlang een slechte slaap. Tamar heet ze, onrustig en hyperactief spookt ze door mijn hoofd. Maar zodra ik mijn ogen opendoe zijn de beelden en stemmen vervaagd en ben ik geen steek wijzer. Wat zit haar dwars?

Met wallen onder mijn ogen als overjarige theezakjes reed ik vanochtend twee uur lang over de A28. Ik was alleen in de auto, slechts vergezeld door koffie van de Shell en Vroege Vogels op de radio. Zonder dat ik het doorhad stapte ergens tussen Hoogeveen en Zwolle Tamar in.

Terwijl de zon me bijna verblindde vertelde Tamar over haar wens om een gezin te stichten, een zo intense behoefte die overal in haar lijf en hoofd aanwezig was, maar waar ze niet meer in durfde te geloven, nu ze door haar grote liefde was ingeruild voor een andere dame. En dus had ze zich maar overambitieus op haar werk gestort en probeerde ze zich koelbloedig door bruiloften en kraamvisites van haar vriendinnen heen te slaan.
Aha, dacht ik, en plop, weg was ze.

Volgens mij ga ik vanavond prima slapen.