Even wat info vinden voor My first plog. Dan aan de slag.
Even wat info vinden voor My first plog. Dan aan de slag.


Prik halen bij de huisarts. Pleister. Klaar.
Prik halen bij de huisarts. Pleister. Klaar.


Research doen en van verbazing omvallen over je eigen familieleden.
Research doen en van verbazing omvallen over je eigen familieleden.
(geniaal archief trouwens van Zeeuwse kranten: http://zoeken.krantenbankzeeland.nl/)


Terug van tennis.
Terug van tennis.


Kliekjeslunch van over-de-datum-andijvie en kaasblokjes. En blijven typen.
Kliekjeslunch van over-de-datum-andijvie en kaasblokjes. En blijven typen.


Iedereen weer thuis.
Iedereen weer thuis.


Een ei van dat ene zwarte kippetje, weetjewel mama, gekregen van mijn beste vriend. Nee, die andere.
Een ei van dat ene zwarte kippetje, weetjewel mama, gekregen van mijn beste vriend. Nee, die andere.


Bij het killen van mijn darling - de winterpeen - komt het koksmaatje meekijken.
Bij het killen van mijn darling - de winterpeen - komt het koksmaatje meekijken.


 Lezen in HhhH.
Lezen in HhhH.


Plogje maken.
Plogje maken. 

Nachtje hierover slapen.
Midden in de nacht flitste het door mijn hoofd: het uur U.
Waar kwam die term vandaan? Een film die ik had gezien? Een boek?
Het uur U. Het zou een mooie beginzin kunnen zijn.
Er lag geen notitieblokje op mijn nachtkastje en het was te koud om er uit te gaan, het licht aan te klikken, door de gang te hobbelen naar de woonkamer, papier en pen te zoeken en de zin op te schrijven. Er zat niets anders op dan - hoe risicovol ook - het gewoon te onthouden.
Het uur U.

De volgende ochtend was er iets wonderbaarlijks gebeurd. Het uur U zat nog in mijn hoofd. Google vertelde me dat Martinus Nijhoff in 1936 een gedicht had geschreven getiteld Het uur U, maar ik had nog nooit van de beste man gehoord. Dus hoe kwam die term in mijn hoofd?
Nou ja. Schouders ophalen, browser afsluiten, aan de slag.
Het uur U. Ik schreef de eerste zin van mijn verhaal.
En nog wat meer.

Toen, computer uit, sollicitatiepakje aan, auto in. Ik moest naar Den Bosch.
A27, A2, huppakee, en net voordat ik de Waal overstak, viel mijn blik zomaar op het bord met de naam van de brug.

Martinus Nijhoffbrug.


Mijn sollicitatiegesprek. Het uur U. Martinus.
Ach zo. 

Het gedicht het uur U vind je hier.
'Non bevalt van baby' luidde de titel van een nieuwsbericht gisteren. De betreffende dame beviel - volgens het bericht onwetend van de zwangerschap - van een jongetje. Ze noemde hem naar de paus, Franciscus.

Ik word altijd heel gelukkig van babynieuws, maar deze keer wist ik het niet. Te bizar. Enige achtergrondinformatie ontbrak, maar kon ik zelf misschien invullen:
Was het de leuke loodgieter geweest die de wijwatertank kwam dichten? Was het de attente boer die haar adviseerde over de moestuin, zo tussen het struikgewas. Of had deze dame een exotisch dubbelleven inclusief sexy jurk, hoge hakken en een hippe verloofde? Dat gunde ik de kersverse moeder wel, iets romantisch of rebels, en verder niets gruwelijks, want dat kon natuurlijk ook.

Ik gooide het nieuwsbericht op twitter, alert voor leuke grapjes over onbevlekte ontvangenissen. Maar de retweets en reply's zeiden: schrijf dit verhaal. Dit is toch de inspiratie waar elke schrijver op wacht?

En dat is het nou net. Echt nieuws, vol inspiratie, maar bijna niet te bevatten: kan dat de basis zijn van een realistisch verhaal met geloofwaardige karakters?

Ik weet het niet.

Muisstil moet het zijn als ik schrijf. Geen kruipende kinderen onder de tafel, geen achtergrondmuziek, geen verkeersgeluiden van buiten. Sinds kort kan ik me terugtrekken in een soort van schrijvershol: een kamertje tussen het washok en de garage met een oude eettafel en een afgekeurde bureaustoel.

Alle geluiden worden door een dikke deur buiten gesloten. In principe ten minste, want de deur kan niet op slot en dus gaat, binnen twee minuten nadat ik heb geroepen 'ik ben er even niet', de deurklink naar beneden. Een huilend kind inclusief bloedneus en geschaafde knie kijkt me aan. 'Kun je even helpen, mama?'
'Waar is papa dan?'
'Naar de appie.'
Ik sus, stelp, maak limonade, sluip weg en sluit de deur achter me. Een tel later schiet die open:
'Ik ben Ollie kwijt.' De grootste pruillip ter wereld gooit zich aan mijn voeten.
Ik neem me voor de woorden die ik wilde typen te onthouden, til de peuter op en vind de knuffel gewoon in zijn bed.
'Iedereen een snoepje en nu sssst.'
Drie dropsleutels knikken naar me. Opnieuw; de deur dicht, zitten, typen.
Shit. Wat was het ook alweer?
Voorzichtig gaat de deur open: 'Mag ik op de ipad?' Mijn dochter glimlacht op haar allerliefst.
'Jahaa.'
Ze trippelt weg en laat de deur openstaan.
Ik sta op, schreeuw het huis in: 'als er iets is bel je papa maar,' en sla de deur dicht.
Het duurt even voordat mijn vingers willen, maar dan schrijf ik; drie woorden, vier, vijf, al bijna een hele zin.
De deur zwaait open: 'Er was van alles op de bonus!' Mijn lief zwiept drie megapakken wc-papier het kamertje in.
Ik leg langzaam mijn hoofd op het tafelblad.
Vandaag wordt het m niet.

Eigenlijk kan ik alleen schrijven als ik helemaal alleen in mijn gedachten ben. Als ik de dialogen hardop kan zeggen met de juiste mimiek en klanken, als ik de bewegingen en gebaren van de karakters na kan bootsen, als ik door mijn wimperharen de kleuren van de scène zie en de geuren imaginair kan opsnuiven.

Morgenvroeg is lekker iedereen weg, ik tel alvast de uren af.....
Het moment dat ik doodging was zaligmakend. Mijn onderbuik tintelde en ik zweefde over groene heuvels en okergele akkers. Onder me zag ik net geboren lammetjes hun eerste passen doen en een klein meisje tegen de wind in fietsen. Ik snelde naar een gouden gloed die me zou omarmen. Mijn vlucht stopte abrupt en ik sloeg te pletter. Het geluid van een kettingzaag overstemde de sirene. Twee grote handen pakten me vast en trokken me uit de auto. Witte linten lagen in het gras. Waar was Kariem?

Mijn moeder hangt boven me. Ze huilt. Haar stem is ver weg, alsof dikke filters in mijn oren zijn gezet. Tranen raken mijn gezicht: het enige stuk van mijn lijf dat nog iets doet. Mijn ogen kan ik openen en de linkerkant van mijn mond voel ik trekken, dat is het, verder ben ik dood. Ik kijk naar mijn moeder. Waarom kijkt ze nou niet terug? Ik vraag, ‘waar is Kariem?’ zo duidelijk mogelijk, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Ik vraag het haar met mijn ogen. Een moeder zou het allergrootste verlangen in de ogen van haar kind toch moeten kunnen lezen. Ze kan het niet. 
 
Er komen veel mensen langs, ze glimlachen naar me met rode ogen en leggen hun gezicht tegen het mijne. Het kriebelt, maar ik kan er niets aan doen. Soms vraag ik naar wat er is gebeurd, maar niemand reageert. Ze staren naar me en fluisteren tegen elkaar. Ik ben als een mummie in een wit steriel museum.


Kariems vader is er, dezelfde kromme neus en groene ogen. Snikkend houdt hij me foto’s voor; Kariem in een donkergrijs pak met een klein boeket bij de voordeur, mijn moeder met een gespannen blik onder een grote rode hoed, ik in een witte jurk op de trap. Op de laatste foto staat een auto met wapperende linten. Kariem houdt het portier voor me open. De handen van Kariems vader trillen. Hij lijkt de foto’s te willen verfrommelen. Ze vallen uit zijn handen en hij legt zijn hoofd op mijn schoot. Kon ik hem maar aanraken.
 

De ambulancebroeder is langs geweest. Hij legde zijn mond op mijn voorhoofd en kuste me. Als hij me niet uit de auto had getrokken, als hij me had laten vliegen, dan was ik nu bij Kariem geweest, mijn bruidegom. Ik keek de broeder aan. Zag hij mijn blik? Ik zei: ‘Je moet het goed maken, haal de stekker eruit.’ Hij sloeg de deken van mijn lichaam en bewoog zijn handen over mijn lijf. Mijn dode lijf. Zijn tong hing uit zijn mond en hij zuchtte diep.
 

Mijn moeder houdt twee identieke ringen voor mijn ogen en rijgt er een ketting doorheen. Die hangt ze om mijn nek. Ik herken het lichte gevoel in mijn buik. De kamer kleurt roze en ik kom los van de grond. Ik ga Kariem zijn ring brengen. Ik zweef het raam uit, even, val terug en zie witte jassen gehaast de kamer binnenkomen en mijn moeder zich klein maken in de hoek. Ik land in bed. Een zak met vloeistof wordt over me heen getild. Een man wijst naar het apparaat naast me. De andere witte jassen knikken. Ik smeek ze: ‘Laat me vliegen.’ Ik schreeuw zo hard dat mijn hoofd bonkt. Ze horen me niet.
 

Als ik op een nacht wakker blijf - in de hoop dood te gaan door vermoeidheid - ontdek ik wonderlijke taferelen die zich in mijn kamer afspelen. Ik zie een oude arts naar de borsten van zijn mollige assistente grijpen. Ze giechelt en laat hem zijn gang gaan. Een medepatiënt komt binnen en trekt de laden van mijn nachtkastje open. Het papier van de bonbondoos knispert tussen zijn vingers. Soms komt er een oude dame binnen, als ze haar nachtpon optilt en tegen de muur hurkt, klettert er een plas tegen de linoleum vloer. 
Ik blijf voortaan wakker voor deze trouwe bezoekers en hecht me aan de eenzame zielen die in mijn nietszeggende onderwereld een kort geluk vinden. Zelfs aan de ambulancebroeder, die steeds vaker komt. Hij klimt op mijn bed en legt zijn grote lijf op mijn lichaam. Twee keer knijpt hij met zijn ogen en dan is het klaar. Hij laat zich van het bed glijden, slaat de dekens terug en vertrekt.
 

Mijn moeder komt niet meer iedere dag. De laatste keer was ze met een onbekende man en een dikke tas vol archiefmappen de kamer ingelopen. Mijn vinger werd in inkt gedoopt en op een papier gedrukt. In stilte verdwenen ze weer. Die nacht kwamen er twee jongens binnen, die zich verstopten onder mijn bed. Ze fluisterden opgewonden, en kringetjes rook stegen langs mijn deken omhoog. Bij zonsopgang inspecteerde een verpleegster mijn kamer en ontdekte een plas bij de muur. De jongens waren verdwenen.
 

Kariems vader komt langs. Hij is grijs geworden. ‘Jullie moeten samen zijn,’ fluistert hij, ‘de dood had jullie niet mogen scheiden.’ Ik knik zonder mijn hoofd te bewegen. ‘Neem je ringen mee en wees hem trouw.’ Ik staar hem zo intens mogelijk aan. Doe het: trek die stekker eruit. Laat mij naar de warme gloed van Kariem gaan, weg van deze kale kamer, dit kale leven. Opnieuw die tinteling in mijn buik. Hij heeft het gedaan, de stekker is eruit. Ik vlieg over de zee, over groene velden, over besneeuwde bergtoppen naar de gouden gloed, naar mijn bruidegom Kariem. Ik lach zo hard dat mijn kaken pijn doen. Ik ga trouwen.
Oudjaar 2012: bij het rondje 'noem je goede voornemens', zei ik (wat ik elk jaar zeg): 'met mijn vingers - en met gestrekte benen - mijn tenen raken'. Iemand riep: 'en je tweede boek dan, moet dat er in 2013 niet komen?'
'Natuurlijk, die komt er.'

Het was echt zo natuurlijk, zo vanzelfsprekend dat dat boek er in 2013 zou komen dat er geen noodzaak was om er een voornemen van te maken. Ik was lekker bezig; elke avond nieuwe woorden op wit papier, een plot wat perfect in elkaar schoof, personages die intrigeerden. Daarbij, de publicatie van Dieptepunt was ook appeltje-eitje geweest. Als er iemand met teveel zelfvertrouwen aan de champagne nipte, dan was ik het wel.

Oh, de verwaandheid. Hoe onderschatte ik het ambacht schrijven. Het kon niet anders dan dat ik zwaar op mijn bek zou gaan in 2013.

En zo geschiedde.

In bijna alle valkuilen ben ik blind getuimeld: te snel willen schrijven met te weinig aandacht voor details, te veel verhaallijnen door elkaar, onsympathieke personages, hakkelige dialogen.

En toen, de grote omwenteling. In de zomer - na een niet malse kritiek - hoorde ik het mezelf zeggen: maar ik geloof in dit verhaal. Weg was de lichtzinnigheid, de arrogantie, de gemakzucht. Ik landde terug op aarde, met beide voeten in de blubber. Hulptroepen trokken me op het goede pad: tegenlezers, een schrijfcoach, schrijfboeken, collegaschrijvers. Het werd herschrijven, herschrijven, herschrijven. Nu ligt versie 13 voor me; doordacht, consistent, compleet. En achter me ligt een heel leerzaam jaar.

Dus nu, als iemand me vraagt naar mijn goede voornemen voor 2014, dan zeg ik als eerste: #boek2 moet er komen.