In elk verhaal dat ik schrijf komt - ongewild soms - iets autobiografisch terug.
Zo had ik een vergelijkbaar auto-ongeluk als Martha in Dieptepunt. Ook op zaterdagmorgen, ook op weg naar het zwembad, en ook ik werd compleet overrompeld door de reactie van de persoon die me aanreed.
In #boek2 krijgt hoofdpersoon Ellen te maken met een problematische zwangerschap, een gebeurtenis die ik kan schrijven vanuit eigen ervaring. (zie ook blog kerstverhaal)

Mijn vader zit met dat autobiografische een beetje in zijn maag. Hij projecteert de vaders in het verhaal op zichzelf, wat echt TOTAAL niet mijn bedoeling was. In Dieptepunt is de vader een norse buxuskweker en in #boek2 een professor met een alcoholprobleem. Mijn vader is dat allemaal niet. (overigens ben ik ook zelf nooit de hoofdpersoon - ik moet er niet aan denken)

Maar nu. Ik voel een intense drang om het beeld dat ik van mijn vader heb aan hem te laten zien, en daarmee het tegendeel van zijn projecties te bewijzen. Ik heb hem beloofd om in #boek3 een waarheidsgetrouwe versie van hemzelf naast de hoofdpersoon te zetten. Mijn vader gaf me daarop onderstaand boek.

 

Ik moest lachen, sloeg het boek open en begon te lezen. Nu ben ik om. De interviews met de boerinnen geven een heel nieuw zicht op de wereld waarin mijn vader is opgegroeid. Een prachtig, intrigerend en leerzaam boek. Binnenkort ga ik naar Zeeland, om verder te werken aan mijn goed lijkende vaderfiguur. Hij kan zijn borst nat maken.....
Utrecht, 24 december 2010

Het is koud in ons huurhuis. Buiten ligt bijna een halve meter sneeuw. Witte vlokken plakken tegen de randen van het kozijn en een koude tocht trekt door de woonkamer. Ik sla de grijze deken om mijn schouders en trek de uiteinden over mijn buik. De deken past er nog net omheen. Ik ben zeven maanden zwanger.
De bel gaat. Tijl - schrijfkameraad - staat voor de deur met een plan voor mijn boek. Hij schetst een omslag, verzint talloze titels en peinst over de juiste schrijversnaam. 'We doen Maria, veel pakkender dan je roepnaam, Marian.' Ik vind het prima.
Het is half vijf, het wordt al donker. Ik ril en nip aan warme thee. De funda-website toont geen nieuwe woningen in onze categorie. We wonen hier pas net, als tijdelijke basis totdat we ons eigen droomhuis hebben gevonden, maar nu is het huis verkocht en wil de huisbaas dat we er uitgaan. Ik sluit de laptop af en zet de verwarming nog wat hoger.
Half elf, we liggen in bed. Dan. Warm bloed stroomt langs mijn benen. Ik sta meteen op: 'we moeten naar het ziekenhuis.' Tien minuten later zijn we in het UMC. De arts controleert alles wat er te controleren valt. 'We gaan de baby halen.' Ik kijk naar de klok: kerstavond, even over elf. Het zal toch niet. 
Een tweede arts komt de kamer in. Ze overleggen in termen die ik niet ken. Nog een echo, nog een CTG. Ik kan alleen maar naar de secondewijzer kijken. Bijna twaalf uur. 
Dan pakt de oudste arts mijn hand: 'mevrouw, we willen wachten. Zo lang mogelijk.' Hij laat hartfilmpjes en echofoto's zien en zegt dat alles goed komt. Ik knik beduusd en kijk op de klok. Het is twaalf uur geweest.
Onze messias blijft nog vier weken zitten. Het net-niet-kerstsprookje wordt een heel gelukkig nieuwjaarsverhaal.

Er is een verhaal dat ik moet schrijven. Omdat mijn vader het me vroeg, en ook omdat elke keer dat ik er aan werk, ik vervuld word van trots.

De synopsis:
Cornelis wordt op 19 december 1895 in Kruiningen (Zeeland) geboren. Hij is de tweede zoon van een landbouwer, en dat betekent dat hij een eigen boerderij op zijn buik kan schrijven. Zijn broer heeft het recht op de ouderlijke hoeve. Maar Cornelis is trots, ambitieus en een harde werker: een sterke boer met handen als kolenschoppen. Hij weet: ooit komt er een eigen boerderij.
1930: de afsluitdijk wordt gebouwd en de Wieringermeer wordt ingepolderd. Het is crisistijd, maar daar, in het hoge noorden, worden boerengezinnen aan land geholpen. Het is misschien een mogelijkheid. Cornelis werkt en spaart.
In 1935 trouwt hij met Adriana. Hun eerste dochter wordt maar twee dagen oud. Er volgen twee gezonde zonen, een gezin is gesticht. En dan is de dag daar. Cornelis zet zijn handtekening en Adriana verzamelt de belangrijkste spullen, ze kleedt de jongens warm aan, neemt afscheid van haar familie en ze gaan. Weg uit Kruiningen, naar het noorden, waar ze de mensen amper zullen kunnen verstaan.
Aardappelen, bieten en uien. Een paar paarden, een grote schuur, voldoende loonwerkers. Cornelis bouwt zijn boerderij op het nieuwe land, zijn land, de Wieringermeerpolder. De dagen zijn lang, de grond is vruchtbaar. Er komen nog twee kinderen bij. 
Oorlogstijd; onderduikers, hongerigen, ze komen naar de boerderij en Cornelis helpt ze. In de polder is het veilig. Tot april 1945. Als in een laatste stuiptrekking breken de Duitsers de dijken door en stroomt de Wieringermeerpolder onder water. De boerderij, de grond, alles loopt onder. Midden in de nacht moet het gezin vluchten. Met paard en wagen, wat huisraad en vier kleine kinderen rijden ze naar Wieringen, waar ze onderdak vinden bij een andere boer. Ze moeten wachten tot de Wieringermeer opnieuw droog wordt gelegd. In tussentijd leert Adriana de kinderen lezen en werkt Cornelis voor de boer. In 1947 wordt hun jongste zoon geboren. Adriana is dan 46, Cornelis 52. De oorlog is voor hen pas voorbij als ze terugkeren naar hun eigen stuk land. Daar bouwen ze opnieuw de boerderij op, en de verdere toekomst van de familie Rijk. 

Gisteravond (setting: het 10 minutengesprekje met de juf en mijn dochter), verzon ik zo tig manieren voor mijn achtjarige om tijdens het uur zelfstandig werken ook daadwerkelijk te gaan werken in plaats van de laatjes in haar bureau nog eens te bekijken.
De juf opperde de beste oplossing: een sticker op het bureaublad die mijn dochter moet herinneren om het rekenboek open te slaan en aan de slag te gaan. Mijn dochter glimlachte, eiste een sticker met een draak en een potlood, de juf knikte en zo werd de deal gesloten.

Ik wil ook wel zo'n juf met een sticker.

Ik zit nu namelijk al anderhalf uur aan de eettafel te niksen. Ik maak een rondje Facebook, Twitter, NU.nl, LinkedIn, Whatsapp en begin dan weer bij Facebook. Ik zit niet compleet nutteloos te zijn, want ik zit in de zon en dat is aangenaam en vast heel goed voor een mens. Voor het onderbewuste dan, want geheel bewust knaagt er iets gemeen in mijn onderbuik. Het komt door #boek3. Ik heb een schrijfplan met personages en locaties, en - en dat is nog het meest uitzonderlijke - ik heb tijd, maar ik zit stil in de zon en schrijf niets.

Een sticker heb ik nodig. Iets met Brad Pitt en een pen of zo.

Ik check mijn mail nog een keer, lees de achterklappagina van NU.nl en open dan Blogger. Ik type een blogje over aanslingeren, in de hoop dat als ik de laatste punt heb gezet ik voldoende opgewarmd ben om aan de slag te gaan met #boek3.

Misschien is Blogger wel mijn sticker.
Ik wacht af.

De sticker na het harde werken
'Zijn we toch nog goed terechtgekomen hè?'
Mijn jeugdvriendin opent de derde fles wijn. We hebben zo onze jaarlijkse tradities: eerst zeiken we gedurende twee flessen Merlot ons geboortedorp af, dan komen we tot de conclusie dat we gaaf zijn en bij de derde fles bedenken we dat Nijverdal ook goede dingen had.

We waren elf toen we elkaar ontmoetten, twee meer uiteenlopende pubers waren niet in ons dorp te vinden, maar een ding deelden we: de wens om weg te gaan. Nieuwe dingen ontdekken, nieuwe mensen ontmoeten. Onze eerste stap was de middelbare in Almelo. Want in Almelo is altijd wat te doen. Nou.
Zeventien waren we toen we echt uit Nijverdal vertrokken. Een trekhaak, een boedelbak en gaaaan. Mijn vriendin ging linksaf, ik naar rechts, een paar keer de wereldbol over, maar altijd kwamen we weer samen, en altijd was er de Merlot.

Mijn vriendin wijst naar me. 'Jij woont in een dorp' (verraadster, zegt ze eigenlijk)
'Een dorp heeft voordelen hoor.'
'Niet Nijverdal.'
'Ook Nijverdal.'
'Noem een ding.'
'De bieb,' en daar ga ik, met mijn jaarlijkse spreekbeurt, 'niet zo'n grote stadse waar je in verdwaald, maar een fijne, met een grote leestafel en een bibliothecaresse die je groet. De geur van hout en boeken, het hoge plafond, het gefluister achter de boekenkasten. En met alle boeken van je lijst - en de uittreksels - binnen handbereik en een aparte plank voor Agatha Christie. Gewoon in Nijverdal.
Mijn vriendin kucht: 'Hij is al lang weg hoor, die bieb van jou.'
'Tsss. Goh. Geef me dan nog maar een glas.'