Afgelopen week las ik een interview met thrillerschrijfster Heleen van der Kemp op vrouwenthrillers.nl. Ze vertelde over haar 3-jarige zoon en ik was blij verrast: een bondgenoot! Eindelijk een schrijfster met een klein kind ipv een hond.

Het zit zo: op Facebook volg ik een aantal schrijfsters die ik bewonder. Ze vertellen over hun schrijfwerk en hun dagelijkse beslommeringen, en regelmatig lees ik dan iets als: ik moest even nadenken over het plot dus toen ben ik met de hond door de duinen gaan wandelen en toen ik thuis kwam - frisse blos op de wangen, uitgelaten hond - wist ik hoe het verhaal verder moest.
Ik heb geen hond, sterker, ik moet vanwege een allergie honden vooral vermijden. Ik heb wel kinderen, die de grootste angsten en gevaren in het leven elke dag weer dichtbij brengen - wat inspiratie biedt voor tig boeken -,  maar die nooit met mij een paar uur in de bossen willen wandelen.

Thrillerschrijfsters met kinderen in de leeftijd van luiers en kinderziektes zijn zeer zeldzaam. Niet zo raar natuurlijk: bij het typen is een wiebelende peuter op je schoot echt minder handig (lees: onmogelijk) dan een slapende lobbes aan je voeten. Toch hoop ik op meer bondgenoten, gewoon voor de gezelligheid. Keertje wandelen met de bolderkar ofzo.

The New York Magazine berekende dat Donna Tartt voor de The Little Friend een productie moest hebben gehad van 47 woorden per dag. Voor The Goldfinch kwam ze op 79 woorden per dag.
Donna Tartt schrijft hele dikke romans en neemt daarvoor de tijd. Het aantal woorden berekenen per dag is een beetje zeikerig en daarbij een netto uitkomst. Misschien schreef ze er wel 1.000 in de ochtend, en schrapte ze er vervolgens 950 in de middag. Hoe dan ook: kwaliteit stond bij haar voorop.

Op 1 november start de National Novel Writing Month (NaNoWriMo). Het doel van dit project is om een roman van minstens 50.000 woorden in de maand november te schrijven. Dat zijn 30 dagen, en dus 1.667 woorden per dag. En al moet het verhaal personages, een plot en een setting hebben (en mag je niet 50.000 keer hetzelfde woord schrijven), het gaat hier om de kwantiteit. Op een later moment kan de roman herschreven worden.

Ik deed in 2008 mee met NaNoWriMo en haalde de 50.000 woorden. Het was mijn eerste kennismaking met een lang verhaal. Het resultaat herschreef ik in de maand erop, en stuurde dat naar een manuscriptbeoordelaar. Die merkte op dat het absolute bagger was, maar ook dat ik niet moest wanhopen: met een andere structuur en een ander perspectief zou het verhaalidee beter tot zijn recht komen. Hij adviseerde me om een schrijfcursus te volgen. Dat deed ik, en uit die schrijfcursus kwam een manuscript, en uiteindelijk een boek: Dieptepunt. Netto aantal woorden per dag: 6.

NaNoWriMo is een veel langere weg dan een maand, maar kan zomaar een goed begin zijn van een mooi boek.


Zolang je boek niet maandenlang in de Bestseller 60 van het CPNB staat en je niet van droog brood houdt, moet er op een andere manier geld binnen komen. Dus ging ik op sollicitatiegesprek: handen schudden, koffie drinken en vriendelijke dingen zeggen als 'wat een mooie locatie' en 'leuk om jullie te ontmoeten.' (al is 'leuk' eigenlijk een no-go in een sollicitatiegesprek, net als 'uitdaging' trouwens).
Daar zat ik, in mijn geluksblouse, te lurken aan bittere automatenkoffie. De man tegenover me (zeker weten de tweelingbroer van Frank Boeyen) stelde vragen. Ik twijfelde welke antwoorden ik moest geven: voor de functie wenselijke of eerlijke. De vragen die ik zelf had voorbereid waren weggezakt, tot in mijn tenen.

Maar halverwege dacht ik: wat een leuk gesprek en wat een interessante uitdaging!

De man vroeg: 'Ben jij een beetje een ondernemer?'
'Ja, hoor, zeker.' (het voor de functie wenselijk antwoord)
Hij keek over zijn bril naar me: 'Kun je een voorbeeld geven van je ondernemerschap op strategisch, tactisch en operationeel niveau?'
Ik slikte een slok koffie weg. 'Natuurlijk,' en zette het kopje langzaam neer. Ineens wist ik het eerlijke antwoord. 'Ik ben namelijk ook schrijver.'
En toen hield ik een ellenlang monoloog over mijn ondernemerschap als schrijver. Het ging ongeveer zo:

Op operationeel niveau is mijn ondernemerschap heel eenvoudig: ik schrijf. Om mijn manuscript te realiseren doe ik research, regel ik tegenlezers en koop ik bizar veel blanco A4. Op tactisch niveau probeer ik de kwaliteit van mijn schrijfwerk te verhogen; zo heb ik een schrijfcoach gevraagd mijn werk te beoordelen en ben ik een blog begonnen, ter lering en vermaak. Op strategisch niveau onderzoek ik de haalbaarheid om ook andere genres op te pakken. Zo overwoog ik om een kinderboek te schrijven, maar heb ik dat weer naast me neergelegd. Ik ben namelijk onvoldoende bekend met Avi-niveaus en moet me nu eerst focussen op #boek2.

Ik was oprecht verbaasd over de stelligheid waarmee ik de vraag had beantwoord. En ik twijfelde: had ik zojuist de ambacht schrijven als een controleerbaar en a-creatief karwei omschreven? Mijn collega-auteurs een judaskus gegeven? Met buikpijn (ook van de koffie) en een hoofd vol tegenstrijdigheden reed ik terug naar huis.

Net belden ze: ik was het niet geworden. Ze vonden me niet ondernemend genoeg. Gelukkig.

Ik dacht ooit dat research iets was als: de schrijver die met een onderzoekende blik, een leren schoudertas, een moleskine in de hand en al zijn zintuigen op scherp, door exotische landen of onderaardse gangen trekt, om zijn ervaring ter plekke treffend op papier te zetten. Maar het is heel anders.

Research doen is vrij eenvoudig te organiseren - tenzij science fiction je genre is - en niet bepaald romantisch.

Voor #boek2 ging ik op pad naar Delft. Nou heb ik 6 jaar in Delft gewoond, (en tig rijlessen door alle wijken heen gehad), dus ik kan best zeggen dat ik het een beetje ken. (daarbij zijn Google maps en streetview geniale hulpmiddelen op afstand).
Toch ontdekt ik talloze dingen voor het verhaal:
- dat er bij het ouderlijk huis van mijn hoofdpersoon gele brandweerkranen op de stoep stonden.
- dat er geen eendjes in de vijver zaten, maar meerkoeten, en dat het ook eigenlijk geen vijver was, maar meer een soort riviertje.
- dat er heel vriendelijke parkeerwachten zijn die begrip hebben voor verkeerd geparkeerd auto's van onwetende schrijvers.

Ik liep routes na die mijn personages lopen. Ik betrad een volkstuinencomplex en bestudeerde schuurtjes en moestuinen. Ik hurkte achter een lage heg, snoof de geur van tomatenplanten op en verzwikte mijn enkel (per ongeluk, maar het kwam goed van pas voor het verhaal).
En tenslotte belandde ik op het politiebureau. Een alleraardigste politieagent vertelde me alles wat ik moest weten. Ik hield mijn moleskine in mijn tas - elke beweging zou tijd kosten en de stroom woorden kunnen verstoren - en sloeg alles op in mijn hoofd. Na het afscheid nemen wist ik niet hoe snel ik naar huis moest, om mijn laptop open te klappen en alles wat ik had gehoord en ervaren in tekst om te zetten. De adrenaline was niet te stuiten.

De kekke brandweerkranen en vriendelijke parkeerwachten gaan #boek2 niet halen, maar wauw, wat een toffe dag. Research is niet romantisch, wel vrij eenvoudig, absoluut noodzakelijk, maar bovenal: inspirerend.

Mijn tegenlezer vroeg: Wat wil je – los van de vertelling zelf – met dit boek vertellen?
Ik mailde snel terug - want hier had ik over nagedacht: dat het eigenbelang van een ouder sterker is dan het ‘beste voor je kind willen’.
Een week later kwam het antwoord per brief: Dat klopt wel, dat lees ik, dat voel ik, maar weet je, het maakt die hoofdpersoon - de ouder - weinig sympathiek. Dat werkt het verhaal tegen. Het moet anders.

Tegenlezers hebben altijd gelijk.

De premisse is wat je echt wilt vertellen met het verhaal. Het is de stelling die bewezen moet worden. Bijvoorbeeld: te weinig slaap leidt tot zelfdestructie. of, iets vrolijker:  liefde overwint alles.
Als lezer is het prima om het niet eens te zijn met de premisse, zolang je je maar kunt inleven in de motivaties van de personages die op die stelling zijn gebaseerd. En, zo leerde ik van mijn tegenlezer, zolang het de hoofpersoon niet al te onsympathiek maakt.

Sinds de brief slaap ik niet meer. De radertjes in mijn hoofd maken overuren. Ik leef me in, ik graaf me onder, ik ben mijn hoofdpersoon, zo sympathiek mogelijk (en moe). Bij elke handeling denk ik: is mijn eigenbelang sterker dan dat ik het beste voor mijn kind wens? Het is puzzelen, analyseren, afwegen.

En dan een paar dagen later, zo met een dekentje op de bank en een doos bonbons binnen handbereik, begint er traag een spaarlamp te branden tussen die radertjes. Ja. Ik ben de hoofdpersoon, en het beste voor mijn kind gaat voor mijn eigenbelang, ook al is dat soms slikken. Dat is het: de premisse is niet mijn leidraad maar mijn worsteling.  
Haar worsteling.

Kwartje gevallen.
Aan de slag.