In elk verhaal dat ik schrijf komt - ongewild soms - iets autobiografisch terug.
Zo had ik een vergelijkbaar auto-ongeluk als Martha in Dieptepunt. Ook op zaterdagmorgen, ook op weg naar het zwembad, en ook ik werd compleet overrompeld door de reactie van de persoon die me aanreed.
In #boek2 krijgt hoofdpersoon Ellen te maken met een problematische zwangerschap, een gebeurtenis die ik kan schrijven vanuit eigen ervaring. (zie ook blog kerstverhaal)

Mijn vader zit met dat autobiografische een beetje in zijn maag. Hij projecteert de vaders in het verhaal op zichzelf, wat echt TOTAAL niet mijn bedoeling was. In Dieptepunt is de vader een norse buxuskweker en in #boek2 een professor met een alcoholprobleem. Mijn vader is dat allemaal niet. (overigens ben ik ook zelf nooit de hoofdpersoon - ik moet er niet aan denken)

Maar nu. Ik voel een intense drang om het beeld dat ik van mijn vader heb aan hem te laten zien, en daarmee het tegendeel van zijn projecties te bewijzen. Ik heb hem beloofd om in #boek3 een waarheidsgetrouwe versie van hemzelf naast de hoofdpersoon te zetten. Mijn vader gaf me daarop onderstaand boek.

 

Ik moest lachen, sloeg het boek open en begon te lezen. Nu ben ik om. De interviews met de boerinnen geven een heel nieuw zicht op de wereld waarin mijn vader is opgegroeid. Een prachtig, intrigerend en leerzaam boek. Binnenkort ga ik naar Zeeland, om verder te werken aan mijn goed lijkende vaderfiguur. Hij kan zijn borst nat maken.....
Utrecht, 24 december 2010

Het is koud in ons huurhuis. Buiten ligt bijna een halve meter sneeuw. Witte vlokken plakken tegen de randen van het kozijn en een koude tocht trekt door de woonkamer. Ik sla de grijze deken om mijn schouders en trek de uiteinden over mijn buik. De deken past er nog net omheen. Ik ben zeven maanden zwanger.
De bel gaat. Tijl - schrijfkameraad - staat voor de deur met een plan voor mijn boek. Hij schetst een omslag, verzint talloze titels en peinst over de juiste schrijversnaam. 'We doen Maria, veel pakkender dan je roepnaam, Marian.' Ik vind het prima.
Het is half vijf, het wordt al donker. Ik ril en nip aan warme thee. De funda-website toont geen nieuwe woningen in onze categorie. We wonen hier pas net, als tijdelijke basis totdat we ons eigen droomhuis hebben gevonden, maar nu is het huis verkocht en wil de huisbaas dat we er uitgaan. Ik sluit de laptop af en zet de verwarming nog wat hoger.
Half elf, we liggen in bed. Dan. Warm bloed stroomt langs mijn benen. Ik sta meteen op: 'we moeten naar het ziekenhuis.' Tien minuten later zijn we in het UMC. De arts controleert alles wat er te controleren valt. 'We gaan de baby halen.' Ik kijk naar de klok: kerstavond, even over elf. Het zal toch niet. 
Een tweede arts komt de kamer in. Ze overleggen in termen die ik niet ken. Nog een echo, nog een CTG. Ik kan alleen maar naar de secondewijzer kijken. Bijna twaalf uur. 
Dan pakt de oudste arts mijn hand: 'mevrouw, we willen wachten. Zo lang mogelijk.' Hij laat hartfilmpjes en echofoto's zien en zegt dat alles goed komt. Ik knik beduusd en kijk op de klok. Het is twaalf uur geweest.
Onze messias blijft nog vier weken zitten. Het net-niet-kerstsprookje wordt een heel gelukkig nieuwjaarsverhaal.

Er is een verhaal dat ik moet schrijven. Omdat mijn vader het me vroeg, en ook omdat elke keer dat ik er aan werk, ik vervuld word van trots.

De synopsis:
Cornelis wordt op 19 december 1895 in Kruiningen (Zeeland) geboren. Hij is de tweede zoon van een landbouwer, en dat betekent dat hij een eigen boerderij op zijn buik kan schrijven. Zijn broer heeft het recht op de ouderlijke hoeve. Maar Cornelis is trots, ambitieus en een harde werker: een sterke boer met handen als kolenschoppen. Hij weet: ooit komt er een eigen boerderij.
1930: de afsluitdijk wordt gebouwd en de Wieringermeer wordt ingepolderd. Het is crisistijd, maar daar, in het hoge noorden, worden boerengezinnen aan land geholpen. Het is misschien een mogelijkheid. Cornelis werkt en spaart.
In 1935 trouwt hij met Adriana. Hun eerste dochter wordt maar twee dagen oud. Er volgen twee gezonde zonen, een gezin is gesticht. En dan is de dag daar. Cornelis zet zijn handtekening en Adriana verzamelt de belangrijkste spullen, ze kleedt de jongens warm aan, neemt afscheid van haar familie en ze gaan. Weg uit Kruiningen, naar het noorden, waar ze de mensen amper zullen kunnen verstaan.
Aardappelen, bieten en uien. Een paar paarden, een grote schuur, voldoende loonwerkers. Cornelis bouwt zijn boerderij op het nieuwe land, zijn land, de Wieringermeerpolder. De dagen zijn lang, de grond is vruchtbaar. Er komen nog twee kinderen bij. 
Oorlogstijd; onderduikers, hongerigen, ze komen naar de boerderij en Cornelis helpt ze. In de polder is het veilig. Tot april 1945. Als in een laatste stuiptrekking breken de Duitsers de dijken door en stroomt de Wieringermeerpolder onder water. De boerderij, de grond, alles loopt onder. Midden in de nacht moet het gezin vluchten. Met paard en wagen, wat huisraad en vier kleine kinderen rijden ze naar Wieringen, waar ze onderdak vinden bij een andere boer. Ze moeten wachten tot de Wieringermeer opnieuw droog wordt gelegd. In tussentijd leert Adriana de kinderen lezen en werkt Cornelis voor de boer. In 1947 wordt hun jongste zoon geboren. Adriana is dan 46, Cornelis 52. De oorlog is voor hen pas voorbij als ze terugkeren naar hun eigen stuk land. Daar bouwen ze opnieuw de boerderij op, en de verdere toekomst van de familie Rijk. 

Gisteravond (setting: het 10 minutengesprekje met de juf en mijn dochter), verzon ik zo tig manieren voor mijn achtjarige om tijdens het uur zelfstandig werken ook daadwerkelijk te gaan werken in plaats van de laatjes in haar bureau nog eens te bekijken.
De juf opperde de beste oplossing: een sticker op het bureaublad die mijn dochter moet herinneren om het rekenboek open te slaan en aan de slag te gaan. Mijn dochter glimlachte, eiste een sticker met een draak en een potlood, de juf knikte en zo werd de deal gesloten.

Ik wil ook wel zo'n juf met een sticker.

Ik zit nu namelijk al anderhalf uur aan de eettafel te niksen. Ik maak een rondje Facebook, Twitter, NU.nl, LinkedIn, Whatsapp en begin dan weer bij Facebook. Ik zit niet compleet nutteloos te zijn, want ik zit in de zon en dat is aangenaam en vast heel goed voor een mens. Voor het onderbewuste dan, want geheel bewust knaagt er iets gemeen in mijn onderbuik. Het komt door #boek3. Ik heb een schrijfplan met personages en locaties, en - en dat is nog het meest uitzonderlijke - ik heb tijd, maar ik zit stil in de zon en schrijf niets.

Een sticker heb ik nodig. Iets met Brad Pitt en een pen of zo.

Ik check mijn mail nog een keer, lees de achterklappagina van NU.nl en open dan Blogger. Ik type een blogje over aanslingeren, in de hoop dat als ik de laatste punt heb gezet ik voldoende opgewarmd ben om aan de slag te gaan met #boek3.

Misschien is Blogger wel mijn sticker.
Ik wacht af.

De sticker na het harde werken
'Zijn we toch nog goed terechtgekomen hè?'
Mijn jeugdvriendin opent de derde fles wijn. We hebben zo onze jaarlijkse tradities: eerst zeiken we gedurende twee flessen Merlot ons geboortedorp af, dan komen we tot de conclusie dat we gaaf zijn en bij de derde fles bedenken we dat Nijverdal ook goede dingen had.

We waren elf toen we elkaar ontmoetten, twee meer uiteenlopende pubers waren niet in ons dorp te vinden, maar een ding deelden we: de wens om weg te gaan. Nieuwe dingen ontdekken, nieuwe mensen ontmoeten. Onze eerste stap was de middelbare in Almelo. Want in Almelo is altijd wat te doen. Nou.
Zeventien waren we toen we echt uit Nijverdal vertrokken. Een trekhaak, een boedelbak en gaaaan. Mijn vriendin ging linksaf, ik naar rechts, een paar keer de wereldbol over, maar altijd kwamen we weer samen, en altijd was er de Merlot.

Mijn vriendin wijst naar me. 'Jij woont in een dorp' (verraadster, zegt ze eigenlijk)
'Een dorp heeft voordelen hoor.'
'Niet Nijverdal.'
'Ook Nijverdal.'
'Noem een ding.'
'De bieb,' en daar ga ik, met mijn jaarlijkse spreekbeurt, 'niet zo'n grote stadse waar je in verdwaald, maar een fijne, met een grote leestafel en een bibliothecaresse die je groet. De geur van hout en boeken, het hoge plafond, het gefluister achter de boekenkasten. En met alle boeken van je lijst - en de uittreksels - binnen handbereik en een aparte plank voor Agatha Christie. Gewoon in Nijverdal.
Mijn vriendin kucht: 'Hij is al lang weg hoor, die bieb van jou.'
'Tsss. Goh. Geef me dan nog maar een glas.'
'Ach toe, schrijf eens een spannend verhaal over ons, iets als 'Dood in de dugout', ja, ja, jaah!' Dertien dames in grasgroene poloshirts kijken me hoopvol aan en praten: 'Genoeg intriges op een hockeyclub, ik kan er zo een paar verzinnen, wist je bijvoorbeeld al van die scheids, die, die..... en trouwens, zo'n stick hè, daar kan je gemakkelijk iemand de hersens mee in slaan hoor, zeker weten.'

Ik prop snel nog een bitterbal in mijn mond zodat ik onmogelijk valse beloftes kan uitspreken. Misschien, misschien, is het inderdaad iets, zo'n hockeyteam dat zelfs op het laatste niveau nog geen wedstrijd heeft gewonnen - wat vele verborgen frustraties bloot legt -, maar dan wordt het wel #boek4.

#Boek3 moet eerst dringend geschreven worden. Ik heb namelijk nog een appeltje te schillen met de setting 'kantoor/projecten/collega's/heisessies' en dat moet uit mijn pen. De afgelopen vijftien jaar heb ik ervaring opgedaan met geinige kantoorhumor, met intens verdrietige reorganisaties, met miscommunicatie en fraude, met ontruimingen vanwege brand en bommeldingen, met duistere en doelloze heisessies en met veel, heel veel lijken die uit kasten vallen gedurende een project.

Sinds anderhalve maand ben ik kantoorloos. Het ideale moment is aangebroken om mijn trauma's te verwerken door ze in een geniaal spannend verhaal te stoppen. De personages, de structuur en het plot krijgen langzaam maar zeker vorm, en ik kom ondertussen mijn vijftien jaar research te boven.
Een win-win situatie, zouden we zeggen op kantoor.



In de brugklas stuurde mijn leraar Nederlands mij de klas uit toen ik aangaf nog nooit van het kofschip gehoord te hebben. Vol onrechtvaardigheidsgevoel, maar ook intense nieuwsgierigheid naar dat gekke codewoord telde ik de minuten op de gang. Pas op de fiets naar huis legde een vriendinnetje uit wat het kofschip nou eigenlijk betekende.

De achterstand die ik had (mijn basisschool bleek wat hoofdstukken Spelling overgeslagen te hebben ...) haalde ik op de middelbare school niet meer in. De ontdekking van de spellingchecker maakte mijn teksten wat slimmer (want maak je spelfouten, dan ben je blijkbaar dom), maar de echte verbeterslag kwam toen ik drie jaar geleden via mijn werkgever betrokken werd bij beterspellen.nl

Beterspellen.nl doe je elke werkdag 2 minuten. Vier multiplechoicevragen controleren of je de spellingsregels kunt toepassen, en maak je een fout, dan krijg je uitleg over de regel. Op een prettige manier verslavend en zeer nuttig, want langzaam maar zeker heb ik het Nederlands doorgekregen: koppeltekens, vervoegingen, samenstellingen etc. Afgelopen week werd beterspellen.nl verkozen tot Website van het jaar 2013. Geheel terecht.

En nu heb ik mijn grote stap voorwaarts gemaakt. Ik heb me opgegeven voor deelname aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Er zijn dertig plaatsen beschikbaar, en ongetwijfeld zullen ook grote taalvirtuozen zich inschrijven, dus ik maak me geen illusies. Maar als het lukt, als ik er bij ben op 18 december in de Eerste Kamer, dan stuur ik beterspellen.nl absoluut een bloemetje.


Ze heet nog steeds Ellen, mijn hoofdpersoon. In blogje Nu de naam nog was ik er van overtuigd dat Ellen een voorlopige naam was. De echte naam - krachtig en met een beetje symboliek - zou me vanzelf een keertje te binnen schieten.
Hoe anders liep het: Ellen is bij mijn hoofdpersoon gaan horen. Ik praat over Ellen, ik praat met Ellen. Dan noem ik haar bij haar naam en zie haar voor me; met haar tengere lijf, haar donkere haren en ogen en het kuiltje in haar wang. Ik weet wat haar lievelingssport is, haar lievelingseten, haar favoriete vakantiebestemming. Ik voel hoeveel ze van haar dochter houdt, hoe ze zich zorgen maakt en hoe graag ze een man in haar leven zou willen - maar dan alleen wel de ware.
Ellen zit in mij, en ik zit in Ellen.

Voor wat betreft haar naam, die is nu zo sterk met haar verbonden, dat ik me geen andere meer kan voorstellen. Maar om zeker te zijn van mijn keuze liep ik de vijf tips die schrijvenonline geeft over naamgeving nog even na.
1. Zoek uit wat een naam betekent.
2. Kies de juiste naam voor de juiste tijd (en land/plaats).
3. Gebruik alliteratie en wissel lettergrepen af.
4. Check de naam.
5. Zeg de naam hardop.
Ellen slaagde glansrijk, want vijf keer was het checkcheckdubbelcheck.

Ellen blijft, samen met de andere namen. En dat is wel zo gezelllig en prettig, want ik ben ondertussen - zo in versie 12 - behoorlijk aan ze gehecht geraakt.
Schrijven doe ik niet alleen. Het typen doe ik in mijn uppie, maar om mijn manuscript beter maken, om het levensvatbaar te maken, heb ik hulptroepen nodig.

Zo heb ik tegenlezers die altijd de waarheid spreken. In ruil voor chocola of mijn feedback op hun manuscripten gaan ze voor me aan de slag. Zij maken opmerkingen die een 'gewone' lezer ook zou hebben. Struikelblokken komen naar boven, inconsequenties in personages en enscenering worden bloot gelegd. Tegenlezers zijn een soort verpleegsters: ze zijn vriendelijk, zorgvuldig en eerlijk.

Ik heb ook een manuscriptendokter: een schrijfcoach. Zij overziet het complete verhaal en de manco's daarin. Ze legt niet alleen de vinger op de zere plek, maar geeft me ook oefeningen en suggesties om onderdelen vanuit een ander gezichtspunt te benaderen. Mijn coach kent onderhand de personages uit #boek2 net zo goed als ik en dat is ook gezellig: beetje kletsen over fictieve mensen.

Maar zeker zo belangrijk, zijn mijn medepatienten: andere schrijvers. Afgelopen vrijdag ontmoette ik Chantal en Marije, schrijvers van andere genres, met andere schrijfprocesssen, maar met vergelijkbare ervaringen, onzekerheden en verwachtingen. Niets zo prettig dan je frustraties en geluksmomenten te delen met soortgenoten.

Zonder mijn hulptroepen red ik het niet. Ze maken mijn manuscript compleet en het schrijfproces een stuk minder eenzaam.

Afgelopen week las ik een interview met thrillerschrijfster Heleen van der Kemp op vrouwenthrillers.nl. Ze vertelde over haar 3-jarige zoon en ik was blij verrast: een bondgenoot! Eindelijk een schrijfster met een klein kind ipv een hond.

Het zit zo: op Facebook volg ik een aantal schrijfsters die ik bewonder. Ze vertellen over hun schrijfwerk en hun dagelijkse beslommeringen, en regelmatig lees ik dan iets als: ik moest even nadenken over het plot dus toen ben ik met de hond door de duinen gaan wandelen en toen ik thuis kwam - frisse blos op de wangen, uitgelaten hond - wist ik hoe het verhaal verder moest.
Ik heb geen hond, sterker, ik moet vanwege een allergie honden vooral vermijden. Ik heb wel kinderen, die de grootste angsten en gevaren in het leven elke dag weer dichtbij brengen - wat inspiratie biedt voor tig boeken -,  maar die nooit met mij een paar uur in de bossen willen wandelen.

Thrillerschrijfsters met kinderen in de leeftijd van luiers en kinderziektes zijn zeer zeldzaam. Niet zo raar natuurlijk: bij het typen is een wiebelende peuter op je schoot echt minder handig (lees: onmogelijk) dan een slapende lobbes aan je voeten. Toch hoop ik op meer bondgenoten, gewoon voor de gezelligheid. Keertje wandelen met de bolderkar ofzo.

The New York Magazine berekende dat Donna Tartt voor de The Little Friend een productie moest hebben gehad van 47 woorden per dag. Voor The Goldfinch kwam ze op 79 woorden per dag.
Donna Tartt schrijft hele dikke romans en neemt daarvoor de tijd. Het aantal woorden berekenen per dag is een beetje zeikerig en daarbij een netto uitkomst. Misschien schreef ze er wel 1.000 in de ochtend, en schrapte ze er vervolgens 950 in de middag. Hoe dan ook: kwaliteit stond bij haar voorop.

Op 1 november start de National Novel Writing Month (NaNoWriMo). Het doel van dit project is om een roman van minstens 50.000 woorden in de maand november te schrijven. Dat zijn 30 dagen, en dus 1.667 woorden per dag. En al moet het verhaal personages, een plot en een setting hebben (en mag je niet 50.000 keer hetzelfde woord schrijven), het gaat hier om de kwantiteit. Op een later moment kan de roman herschreven worden.

Ik deed in 2008 mee met NaNoWriMo en haalde de 50.000 woorden. Het was mijn eerste kennismaking met een lang verhaal. Het resultaat herschreef ik in de maand erop, en stuurde dat naar een manuscriptbeoordelaar. Die merkte op dat het absolute bagger was, maar ook dat ik niet moest wanhopen: met een andere structuur en een ander perspectief zou het verhaalidee beter tot zijn recht komen. Hij adviseerde me om een schrijfcursus te volgen. Dat deed ik, en uit die schrijfcursus kwam een manuscript, en uiteindelijk een boek: Dieptepunt. Netto aantal woorden per dag: 6.

NaNoWriMo is een veel langere weg dan een maand, maar kan zomaar een goed begin zijn van een mooi boek.


Zolang je boek niet maandenlang in de Bestseller 60 van het CPNB staat en je niet van droog brood houdt, moet er op een andere manier geld binnen komen. Dus ging ik op sollicitatiegesprek: handen schudden, koffie drinken en vriendelijke dingen zeggen als 'wat een mooie locatie' en 'leuk om jullie te ontmoeten.' (al is 'leuk' eigenlijk een no-go in een sollicitatiegesprek, net als 'uitdaging' trouwens).
Daar zat ik, in mijn geluksblouse, te lurken aan bittere automatenkoffie. De man tegenover me (zeker weten de tweelingbroer van Frank Boeyen) stelde vragen. Ik twijfelde welke antwoorden ik moest geven: voor de functie wenselijke of eerlijke. De vragen die ik zelf had voorbereid waren weggezakt, tot in mijn tenen.

Maar halverwege dacht ik: wat een leuk gesprek en wat een interessante uitdaging!

De man vroeg: 'Ben jij een beetje een ondernemer?'
'Ja, hoor, zeker.' (het voor de functie wenselijk antwoord)
Hij keek over zijn bril naar me: 'Kun je een voorbeeld geven van je ondernemerschap op strategisch, tactisch en operationeel niveau?'
Ik slikte een slok koffie weg. 'Natuurlijk,' en zette het kopje langzaam neer. Ineens wist ik het eerlijke antwoord. 'Ik ben namelijk ook schrijver.'
En toen hield ik een ellenlang monoloog over mijn ondernemerschap als schrijver. Het ging ongeveer zo:

Op operationeel niveau is mijn ondernemerschap heel eenvoudig: ik schrijf. Om mijn manuscript te realiseren doe ik research, regel ik tegenlezers en koop ik bizar veel blanco A4. Op tactisch niveau probeer ik de kwaliteit van mijn schrijfwerk te verhogen; zo heb ik een schrijfcoach gevraagd mijn werk te beoordelen en ben ik een blog begonnen, ter lering en vermaak. Op strategisch niveau onderzoek ik de haalbaarheid om ook andere genres op te pakken. Zo overwoog ik om een kinderboek te schrijven, maar heb ik dat weer naast me neergelegd. Ik ben namelijk onvoldoende bekend met Avi-niveaus en moet me nu eerst focussen op #boek2.

Ik was oprecht verbaasd over de stelligheid waarmee ik de vraag had beantwoord. En ik twijfelde: had ik zojuist de ambacht schrijven als een controleerbaar en a-creatief karwei omschreven? Mijn collega-auteurs een judaskus gegeven? Met buikpijn (ook van de koffie) en een hoofd vol tegenstrijdigheden reed ik terug naar huis.

Net belden ze: ik was het niet geworden. Ze vonden me niet ondernemend genoeg. Gelukkig.

Ik dacht ooit dat research iets was als: de schrijver die met een onderzoekende blik, een leren schoudertas, een moleskine in de hand en al zijn zintuigen op scherp, door exotische landen of onderaardse gangen trekt, om zijn ervaring ter plekke treffend op papier te zetten. Maar het is heel anders.

Research doen is vrij eenvoudig te organiseren - tenzij science fiction je genre is - en niet bepaald romantisch.

Voor #boek2 ging ik op pad naar Delft. Nou heb ik 6 jaar in Delft gewoond, (en tig rijlessen door alle wijken heen gehad), dus ik kan best zeggen dat ik het een beetje ken. (daarbij zijn Google maps en streetview geniale hulpmiddelen op afstand).
Toch ontdekt ik talloze dingen voor het verhaal:
- dat er bij het ouderlijk huis van mijn hoofdpersoon gele brandweerkranen op de stoep stonden.
- dat er geen eendjes in de vijver zaten, maar meerkoeten, en dat het ook eigenlijk geen vijver was, maar meer een soort riviertje.
- dat er heel vriendelijke parkeerwachten zijn die begrip hebben voor verkeerd geparkeerd auto's van onwetende schrijvers.

Ik liep routes na die mijn personages lopen. Ik betrad een volkstuinencomplex en bestudeerde schuurtjes en moestuinen. Ik hurkte achter een lage heg, snoof de geur van tomatenplanten op en verzwikte mijn enkel (per ongeluk, maar het kwam goed van pas voor het verhaal).
En tenslotte belandde ik op het politiebureau. Een alleraardigste politieagent vertelde me alles wat ik moest weten. Ik hield mijn moleskine in mijn tas - elke beweging zou tijd kosten en de stroom woorden kunnen verstoren - en sloeg alles op in mijn hoofd. Na het afscheid nemen wist ik niet hoe snel ik naar huis moest, om mijn laptop open te klappen en alles wat ik had gehoord en ervaren in tekst om te zetten. De adrenaline was niet te stuiten.

De kekke brandweerkranen en vriendelijke parkeerwachten gaan #boek2 niet halen, maar wauw, wat een toffe dag. Research is niet romantisch, wel vrij eenvoudig, absoluut noodzakelijk, maar bovenal: inspirerend.

Mijn tegenlezer vroeg: Wat wil je – los van de vertelling zelf – met dit boek vertellen?
Ik mailde snel terug - want hier had ik over nagedacht: dat het eigenbelang van een ouder sterker is dan het ‘beste voor je kind willen’.
Een week later kwam het antwoord per brief: Dat klopt wel, dat lees ik, dat voel ik, maar weet je, het maakt die hoofdpersoon - de ouder - weinig sympathiek. Dat werkt het verhaal tegen. Het moet anders.

Tegenlezers hebben altijd gelijk.

De premisse is wat je echt wilt vertellen met het verhaal. Het is de stelling die bewezen moet worden. Bijvoorbeeld: te weinig slaap leidt tot zelfdestructie. of, iets vrolijker:  liefde overwint alles.
Als lezer is het prima om het niet eens te zijn met de premisse, zolang je je maar kunt inleven in de motivaties van de personages die op die stelling zijn gebaseerd. En, zo leerde ik van mijn tegenlezer, zolang het de hoofpersoon niet al te onsympathiek maakt.

Sinds de brief slaap ik niet meer. De radertjes in mijn hoofd maken overuren. Ik leef me in, ik graaf me onder, ik ben mijn hoofdpersoon, zo sympathiek mogelijk (en moe). Bij elke handeling denk ik: is mijn eigenbelang sterker dan dat ik het beste voor mijn kind wens? Het is puzzelen, analyseren, afwegen.

En dan een paar dagen later, zo met een dekentje op de bank en een doos bonbons binnen handbereik, begint er traag een spaarlamp te branden tussen die radertjes. Ja. Ik ben de hoofdpersoon, en het beste voor mijn kind gaat voor mijn eigenbelang, ook al is dat soms slikken. Dat is het: de premisse is niet mijn leidraad maar mijn worsteling.  
Haar worsteling.

Kwartje gevallen.
Aan de slag.

De site Boekface verzamelt bijzondere en bizarre boekomslag-combi-mens-portretten. Grappig en inspirerend, en daar wilde ik wel onderdeel van worden.
Ik spitte de zolder door, scharrelde tussen oude verhuisdozen, schoof met stapels boeken, voor die ene omslag. Een boek dat mij zou passen. Het lukte met Mo Hayder - Tokio. Creepy selfie heet mijn zelfportret.

Creepy selfie

Boekface is ook te vinden op Facebook en Twitter: @boekface
Nou, daar ga je dan. Hup in de envelop. Naar het postkantoor. Doei!
Met losse schouders en een licht gevoel in mijn buik fiets ik terug naar huis. 
En dan wordt het avond en treedt de leegte in.

Mijn manuscript is onderweg naar een manuscriptbeoordelaar. Ergens tussen belastingenveloppen en reclamefolders in ligt mijn dierbare werk te wachten om morgen in de juiste brievenbus te belanden. Ik zit thuis en heb een hele avond niets te doen. Ik zou de moestuin kunnen rooien of een vriendin bellen, of die grasvlek uit mijn witte broek kunnen boenen maar ik loop alleen maar rusteloos rondjes.

Ik ben slecht in afscheid nemen. Ik hou niet van dag zeggen, van gezoen, van standaard beloftes als we bellen! Alleen al herinneringen aan afscheid nemen maken me ongemakkelijk en schaamtevol.

*) Op stage in Sydney. Mijn huisgenoten zouden me naar het station brengen om me uit te zwaaien naar Schiphol. Ik loog over mijn vertrektijd en verliet het huis toen iedereen nog sliep. Het was koud en donker op Delft CS, en ook wel eenzaam. In mijn tas vond ik een cassettebandje met de favoriete muziek van mijn huisgenoten. Op het doosje stond: we weten wel dat je er stiekem vandoor bent.

*) Mijn oma. Zij 90, ik 17. De sterkste vrouw van de wereld lag met magere wangen in bed. Ze zei 'het is mooi zo'. Ik zei 'waag het niet' en rende weg, het verzorgingstehuis uit, de parkeerplaats op. Mijn tante vond me tussen twee auto's en probeerde me over te halen. Maar ik durfde niet meer naar binnen. Een dag later deed mijn oma verbaasd haar ogen open toen de dokter zei dat ze was overleden. Zij kon ook niet zo goed afscheid nemen. Een week later was het wel zover.

*) De eerste schooldag van mijn oudste. Hand in hand liepen we door de gang naar haar klas. Een nieuwe broodtrommel, een luizencape, trillende handen. We huilden allebei en ik probeerde - te midden van dertig kleuters - flink te zijn. De juf zette mijn dochter op een stoel. Ze krijste en graaide naar mij en ik trok haar handen van me af. Pas op de vierde dag verliet ik met droge ogen de school.

Maar goed, even terug, we hebben het wel over een manuscript. Een ding zonder vitale organen of wilsbeschikking. Een papieren stapel A4 met zwarte inkt, opgemaakt volgens de richtlijnen van de manuscriptbeoordelaar. Drie weken is het pak papier uit logeren. Een draaglijke periode omdat ik weet dat het terugkeert (inclusief rode markeringen). En het moet. Ik heb feedback nodig. Anders kan ik niet verder. M. Hinrich zei ooit: Afscheid is de deur naar de toekomst. 

Dus oké dan. De stage in Sydney verrijkte me en mijn kind is inmiddels dolgelukkig op school. Alleen mijn oma, dat afscheid had echt niet gehoeven.

manuscript



'Ben je aanvoerder geworden? Gadverdamme, wat ben jij een uitslover.'
en
'Knutselmoeder op school? Daar heb jij toch helemaal geen tijd voor?'
of, en vooral die:
'Ik snap niet hoe je het allemaal doet.'

Als ik ad rem was als Vinexvrouwtje zou ik antwoorden: een dag telt maar liefst 24 uur waarvan er veel vrijvallen als je stopt met televisie kijken.

Maar ik zeg iets als: 'Tsja.' of 'Hmmm.' of 'Valt wel mee.'
Ik zou helemaal niet anders kunnen. Ik heb namelijk een genetische aandoening en dat is dat ik teveel wil: dingen meemaken, doen, leven. Mijn handen zijn nooit leeg. Mijn hoofd ook niet.
In een verloren Elsevier las ik een interview. Geen idee meer hoe de druk bezette heer heette maar hij zei iets als: het is een vloek en een zegen om niet stil te kunnen zitten. En ik viel bijna van mijn pilatesbal uit pure herkenning.

Het bevalt goed hoor, alle sores, al het geren. Alleen dat lege hoofd dat lijkt me zo lekker. Voor het schrijven. Want eigenlijk moet dan alles stil zijn, alles kaal, alles leeg. Alleen ik en het papier. Niet eens om te typen, maar om te denken. Om scenes te schetsen en nieuwe invallen te ontdekken.

Volgende week word ik veertig. Dan moet er iets gebeuren, iets gedenkwaardigs, iets levensbepalends. De midlifecrisis is tenslotte niet voor niets uitgevonden.

En dus heb ik iets uit mijn takenlijst geschrapt: mijn baan (de kaalgevreten moestuin was een goede runner up). Ik wil zo zielsgraag #boek2 afschrijven dat ik wel moet kiezen. Ik hang mijn imago van uitslover en multitaskploetermoeder aan de wilgen. Misschien ga ik zelfs soms een uurtje televisie kijken. Gewoon onder werktijd.

voeten

Vul in:

….. staat tot koken als lezen staat tot eten.

Deze vakantie werkte ik een groot deel van mijn NTL-stapel weg. Romans, thrillers, chicklits. Dan Brown fascineerde, Rowling ontroerde, Sophie Kinsella liet me lachen. Maar net zo vaak werd ik teleurgesteld en las het boek zuchtend uit.
Bij de zinnen die ik las stelde ik me de schrijver voor. Hoe vaak zou dit herschreven zijn? Waarom staat dit hier? Wat heeft hij ermee bedoeld? En dan, ik als lezer: Waarom erger ik me? Waarom vind ik dit 'gaat wel'? Hoe lang duurt dit hoofdstuk eigenlijk nog?

Die arme schrijver, die al zijn tijd en energie in zijn meesterstuk heeft gestopt, en de lezer die het een 'gaat wel'-boek vindt. Ik zie een gelijkenis.

Elke avond kook ik voor drie kinderen. Bij de zelfgemaakt lasagne (bereidingstijd 50 minuten incl verbrande vingers en aangekoekte ovenschaal) krijg ik steevast dichtgeknepen neuzen en 'Lust ik niet.' Onaangeroerd staat de schaal op tafel totdat ik hem zelf maar helemaal leeg eet (buikpijn).
Bij pasta met kaas en broccoli (bereidingstijd 15 minuten) zijn de pannen leeg voordat ik zelf aangeschoven ben. Mijn lege maag wordt gecompenseerd door knuffels en kussen van dikbuikige kinderen.

Ik ben een snelle schrijver – woorden buitelen op het papier, in een tempo dat ik zelf soms amper kan bijbenen. Daarna begint het echte werk: herschrijven, schrappen, herlezen en dat keer 30. Ik schat mijn tijdsinvestering in Dieptepunt op ca. 500 uur. Een goede rekenaar zegt dan: dat zijn 13 werkweken, dus 4 boeken per jaar. Maar zo simpel ligt het niet. De netto bereidingstijd is iets anders dan de werkelijke doorlooptijd. Een boek moet gisten (wekenlang in de la), sudderen (langs tegenlezers) en dan moet de tafel nog gedekt (wachten op de uitgever). De tijd tussen de eerste letter op papier en het definitieve manuscript van Dieptepunt bedroeg 2 jaar.

En toch was ik er – ondanks mijn eigen ervaring - in getrapt. Ik had een planning gemaakt voor #boek2: binnen een jaar zou het in de winkel liggen. Tenslotte, ik was nu schrijver en dus kon het tempo wel wat omhoog. Daarbij zou ik het manuscript minder lang in de la houden en stonden mijn tegenlezers en uitgever in de startblokken. Appeltje eitje. Ik beloofde mijn familie, vrienden en iedereen die er naar vroeg een zinderende boekpresentatie, en ging aan de slag. Dat is nu 2 jaar geleden. Over diepe dalen en baaldagen gesproken. Een boek is niet in een deadline te vangen. Ik denk niet meer in tijd, alleen nog in kwaliteit. Ik ploeter en schrijf en het komt goed, dat weet ik zeker, het duurt gewoon nog even.


Onevenredig gemeen in waardering is het produceren versus het consumeren. En hemeltergend is het idee dat iemand ooit – na al mijn zwoegen - #boek2 beoordeelt als een ‘gaat wel’-lasagne.




Deze blog verscheen op 24 sept 2013 op schrijvenonline 
Ik heb drie keer een kind op de wereld gezet en wist elke keer hoe dat kind zou gaan heten, nog voordat ik het had ontmoet. Een naam voor een leven lang.

Maar nu. Mijn hoofdpersoon in #Boek2 is al aan haar 7e naam toe. Het begon met Lucia, toen Liesbeth, Lisa, Esther, Iris, Sophie, en eindigde met Ellen, voorlopig.
Het probleem is de associatie. Ik heb een naam nodig die nog niet in mijn leven was. Zodat ik tijdens het schrijven niet lastiggevallen wordt door dat rotkind van de basisschool of die overattente collega die toevallig ook zo heet. Een nieuw iemand wil ik.

Het is leuk (gewoon leuk) als er symboliek in de naam zit. Maar niet te dik. Dus geen heldhaftig hoofdpersoon met de naam Diana (=godin van de jacht) of de verloren dochter die Femke (=meisje) heet.
De hoofdpersoon uit Dieptepunt heet Martha. Ze is vernoemd naar Martijn, het broertje dat stierf voordat zij geboren werd. Haar ouders hebben zijn dood nooit verwerkt en projecteerden hun verdriet op haar. Het afschudden van die projectie is haar drijfveer.

Over #Boek2: ik blader nog vaak door het voornamenboek van Prisma. Want er is een betere dan Ellen, denk ik. Een naam zonder associatie maar met iets meer symboliek. 
Gelukkig is er find&replace in het fictieve leven. Ik heb nog even.


prisma woordenboek


Verhaallijn staat. Personages zijn bekend. Research doen. Even kijken. Wat heb ik nodig?
Iets over onvruchtbaarheid -> ik check even een kennis die gynaecoloog is.
Iets over architectuur -> ik check even wat vrienden die Bouwkunde studeerden.
Iets over een weggelopen kind -> ik check even de nicht van een ex van een vriendin, die rechercheur is.
Iets over een junk -> .....

Mijn inner circle zweeg toen ik een rondje deed. Ken je een junk? Zelf wel eens wat gebruikt? Verslaafd geweest? Nee, niet een sigaret of een keertje paddenstoel/joint/pilletje, maar het echte werk: snuiven, spuiten, langere termijn.
Niemand gaf gehoor.

Over op het stappenplan:
1. Check Google over verslavingen
2. Observeer een junk
3. Interview een junk
4. Word zelf een junk

Ik stopte na 1. Niet omdat ik de vervolgstappen gênant vond en ik domweg niet durfde, maar dankzij twitter. Good old twitter. Ik had namelijk een nieuwe volger. Studiegenoot J.
Ooit - een vervlogen herinnering ebde terug - zaten J. en ik aan de bar en dronken we bier. J. trok zijn mouw omhoog en liet me de binnenkant van zijn arm zien; gaten. Kleine zwarte cirkeltjes. Goh, zei ik, niet begrijpende wat ik zag, met mijn zeventien jaar groen. Tsja, zei hij.
Pas dagen later realiseerde ik me wat ik had gezien. J. verscheen toen al niet meer in de studiebanken. 

Vorige week had ik contact met J. Hij was een brave huisvader geworden. Een architect. Met een moestuin. Ik kon het toeval niet bevatten: hij was mijn hoofdpersoon, van vlees en bloed.

Ik heb J. niets verteld over zijn gelijkenis.  
Het maakt me toch geen biet uit zo'n thriller, hoorde ik hem zeggen. Mijn hoofdpersoon leest namelijk alleen architectuurboeken.
En dat klopt.

moderne architectuur

Inspiratie is niet te plannen. Ik kan smekend naar mijn laptop kijken maar er komt niets. Ik kan mijn ogen sluiten, huisgenoten manen hun mond te houden, me in een yogahouding wurmen maar ook dan komt er niets. Soms, in bed, net voordat ik in slaap val, schiet er een geweldige scene binnen. Maar dan is mijn lijf al te zwaar om zich los te wurmen van het matras, het licht aan te klikken en het op te schrijven op het denkbeeldige notitieblokje naast mijn bed. Ik sla het op in mijn hoofd, wat risicovol is.
Als ik een ingeving heb, zomaar in de trein, op het werk, dan is het graaien in de tas naar een stuk papier en een pen. Mijn schrijftafel ligt bezaaid met bonnetjes en treinkaartjes met onleesbare teksten erop.

Inspiratie komt als ik het niet verwacht. Als er drie kinderen in mijn keuken milkshakes maken - visualiseer veel derrie en kabaal - en ik, staande in een plas melk, zin krijg in een hamburger. Ik trek een kast open en pak de nieuwe grillpan.
Wat is die pan zwaar.
Met een klap landt Herman op het fornuis.
Wow. Dat komt hard aan.
Goh.
Ja.
Ik draai het gas uit. Stap uit de melk en ren naar mijn schrijftafel. Bonnetjes vliegen van het blad. Laptop open. Typen. Een pan, ideaal om een paar hersens mee in te slaan. Precies wat het verhaal nodig had. Bedankt, Herman.

Herman geeft inspiratie




Een willekeurige borrelavond met vrienden in de kroeg. Twee jaar geleden:
'Hoe gaat het met je schrijverscarrière?' 
'Morgen spreek ik een uitgever.'
'Túúrlijk.'
'Hij heeft interesse.'
'Hahahaha. Geloof je het zelf?'

Nu - anderhalf jaar na de verschijning van Dieptepunt -, in de supermarkt, de wachtkamer van de tandarts of zomaar op straat, klampen onbekenden me aan:
'Ik heb ge-no-ten van je boek!'
'Dank je wel.'
'Wanneer komt je tweede?'
'Nou. Euh. Voorjaar. Misschien.'
'Dan pas?'

Vrienden vermijd ik al maanden. Bang voor steeds weer diezelfde vraag: wanneer komt ie?
Weg is de onbevangenheid en het recht te mogen aanklooien. Hoge verwachtingen, een negatieve voortgang en capaciteitsgebrek; #boek2 heeft het allemaal. Geen cliché is mij vreemd:

'Van een debutant wordt een foutje gepikt, maar bij boek 2 ligt de lat een stuk hoger.'

'Je debuut bevat alle levenslessen tot dan toe. Boek 2 is gebaseerd op je ervaringen vanaf je debuut. Een veel kortere tijd. Minder inspiratie dus.'

'Schrijven is een leerproces, neem alle kritieken mee die je hebt gekregen en verbeter jezelf.'

Pfff. En toch. Elke avond hijs ik de laptop op mijn schoot, zet ik wortels, chips en rivella binnen handbereik en schud de clichés van me af. Schrijven is namelijk fijn. Ooit verandert de ondertitel van dit blog.
Trouwens, het plan voor #boek3 ligt al klaar.