In Groot-Brittannië, aan het einde van de negentiende eeuw, is er sprake van een nieuw fenomeen: kamperen.

Het is in Engeland een studie en een vak geworden te woekeren met de beknopte bergruimte op een fiets en opvouwbare wigwams, keukengereedschappen, spirituskomforen, dekens en proviand zo voordelig mogelijk over bagagedragers, frametassen en rugzakken te verdelen. (De Kampioen, 1905)

De trend waait al snel de Noordzee over en komt in Nederland terecht.

Kamperen gebeurt in eerste instantie ongereguleerd. Er zijn geen campings en de kampeerders moeten zelf een geschikte plek vinden om te slapen. Het opzetten van de tent, het bereiden van maaltijden en het graven van een toilet gebeurt in de vrije natuur. En juist dat primitieve maakt mensen zo enthousiast.

Robert Baden-Powell Kamperen
Robert Baden-Powell, grondlegger van de scouting

Kamperen is een elitaire 'sport'. De beoefenaars zijn rijke jonge mannen, die geld hebben voor het importeren van tentdoek uit Engeland, het laten maken van een tentje en het aanschaffen van kampeerspullen zoals een slaapzak en oliestel. De gewone arbeider kan dat allemaal niet betalen, en al zou hij dat wel kunnen, hij heeft amper vrije dagen.

Om landloperij te voorkomen legt Nederland de kampeersport zo snel mogelijk aan banden. Even spontaan met de tent eropuit trekken is niet mogelijk: om te mogen kamperen moet vooraf toestemming gekregen zijn van de landeigenaar. Ook moet er een vergunning aangevraagd worden bij de betreffende gemeente, waarvoor de kampeerder een bewijs van goed gedrag moet overleggen. Als dat allemaal geregeld is krijgt de kampeerder permissie een of twee nachten in de buitenlucht door te brengen, tegen betaling van een paar gulden. Mannen en vrouwen slapen gescheiden.

Carl Denig Kamperen
Carl Denig, tentenmaker en oprichter van de Nederlandse Toeristen Kampeer Club

In 1925 wordt het eerste officiële kampeerterrein van Nederland in Vierhouten, een dorp op de Veluwe, geopend. Al snel volgen er meer. Kamperen wordt steeds populairder, ook bij de minder welgestelde burgers. Het aantal vrije dagen neemt langzaam maar zeker toe, en het wordt steeds makkelijker om in Nederland tentdoek te verkrijgen om zelf een tent te naaien.

De grote kampeerdoorbraak komt na de Tweede Wereldoorlog. Direct na de bevrijding is er gebrek aan bijna alles, maar er zijn wel een heleboel legertentjes te verkrijgen. De ANWB organiseert kampeercursussen - inclusief examen en kampeerpaspoort - en geeft een kampeergids uit. In de jaren vijftig en zestig ontwikkelt kamperen zich tot een razend populaire 'sport', dankzij meer vrije tijd, gestegen welvaart en een grotere mobiliteit.


Zie ook: https://anderetijden.nl/aflevering/541/Nederland-gaat-kamperen
Beelden via Pinterest
Ik stuitte op een verhaal. Op een geheim. Een indrukwekkend geheim dat ik je niet wil onthouden.

Het verhaal begint met een meisje genaamd Margaret.

Margaret Bulkley wordt in 1789 in Cork, Ierland, geboren. Als zij en haar moeder Mary Ann Barry in de steek worden gelaten door haar vader, verhuist ze met haar moeder naar Londen om in te trekken bij haar oom, de kunstenaar James Barry.

Margaret wil gouvernante worden, maar ze mist de juiste referenties om een baan te krijgen. Samen met haar oom James komt ze tot een alternatief carrièreplan: ze zal arts worden.

Er is wel een probleem. Aan het begin van de negentiende eeuw is een opleiding tot arts alleen weggelegd voor mannen. Als haar oom overlijdt weet Margaret met een list haar plan toch uit te voeren: in 1809 knipt ze haar haren kort, ruilt haar jurk in voor een broek, neemt de naam van haar overleden oom, James Barry, aan en begint een medische studie aan de Universiteit van Edinburgh.

James Barry
James Barry - Margaret

Ze is klein, heeft een zachte stem en gladde huid, maar is ook vastberaden. Als iemand opmerkingen maakt over haar uiterlijk daagt ze diegene uit voor een duel en daarmee weet ze elke twijfel weg te nemen. Ze wordt ingeschat als homoseksueel, als hermafrodiet of als jongeman waar de puberteit geen grip op heeft gekregen.

James is succesvol in haar misleiding: in 1812 voltooit ze haar medische opleiding.

James werkt als legerarts bij o.a. de slag bij Waterloo en wordt daarna uitgezonden naar Zuid-Afrika. In Kaapstad verricht ze de eerste geregistreerde keizersnede op het continent. De baby wordt naar haar, James, vernoemd. In 1828 vertrekt James van Kaapstad naar Malta waar ze helpt om een cholera-uitbraak in te perken. Kort daarna wordt ze bevorderd tot medisch inspecteur voor het Britse leger. Ze werkt in verschillende Engelse koloniën en verhuist in 1857 naar Canada, waar ze de levens- en werkomstandigheden van soldaten verbetert.

Al die jaren wordt ze vergezeld door John, een dienstbode uit Jamaica, en een hond met de naam Psyche.

James Barry
James, John en Psyche

Op 25 juli 1865 overlijdt James aan dysenterie. Bij het afleggen van haar lichaam komt, na zesenvijftig jaar, de waarheid aan het licht. James Barry is een vrouw. Het Britse leger ontkent alles en verzegelt haar gegevens voor meer dan 100 jaar.

Ik ben zo onder de indruk van haar.

Ze heeft, in een tijdperk waarin de carrièremogelijkheden voor vrouwen minimaal zijn, haar droom verwezenlijkt.

Wat een doorzettingsvermogen.
Wat een gedrevenheid.
Wat een heldin.
Wat een geheim.

Ongelooflijk.



------ Foto's via http://gilliantreacy.com ----
Research. Het is leuk, leerzaam en inspirerend, en kan - zo weet ik nu - ook best lekker zijn.

Voor #boek4 wilde ik naar Duitsland, naar het gebied ten oosten van Osnabrück, Amt Wittlage. Want daar, tussen een gebergte en een rivier, in een golvend groene lappendeken, werd bijna 200 jaar geleden een zekere Heinrich geboren. En Heinrich is de man waarmee #boek4 begint.

Ik trok twee dagen uit voor mijn tocht en ging op zoek naar een geschikte overnachtingsplaats. Die vond ik in het dorp Werther.

Oh, denk je nu: van die snoepjes! Maar dat komt omdat je het plaatje bij dit blog al hebt gezien.

Werther's original

Ik dacht namelijk helemaal niet aan roomboterbabbellaars toen ik mijn kamer reserveerde in Werther. Ik dacht alleen maar aan Heinrich.

Twee uur voor vertrek verzamelde ik mijn aantekeningen, pakte mijn tas in en googelde nog even op Werther. En toen ontdekte ik het verhaal van suikerbakker Gustav Nebel.

In Werther wordt in 1903 een Zuckerwarenfabrik opgericht door August Storck. Zes jaar na de oprichting vindt Gustav Nebel, een van de eerste werknemers van de fabriek, een gekarameliseerde bonbon uit. Het snoepje bevat gestolde boter, witte kristalsuiker, fijne kandij, verse room, een beetje zout en - volgens de overlevering maakt dat de babbelaar zo speciaal - tijd, liefde en zorg. 
De snoepjes krijgen een goudgele wikkel en de naam Bonbons aus Werther of Die Werther’schen Bonbons. Later wordt dat Werther's Echte en uiteindelijk Werther's Original.
Nu, 208 jaar na de snoepuitvinding van Gustav, worden de bonbons nog steeds geproduceerd door Storck. De fabriek in Werther is uitgegroeid tot een grote koek- en snoepmultinational.

Ik noteerde met een uitroepteken (van toeval!) de overeenkomst die suikerbakker Gustav en mijn Heinrich leken te hebben, sloot mijn laptop af, stopte mijn spullen in de auto en reed doelgericht naar de supermarkt. Daar kocht ik een familiezak Werther's Original.

De rit naar Duitsland zou drie uur duren, maar was binnen een zak Werther's Original voorbij.

Een beetje misselijk, maar in een euforische, verlichte toestand passeerde ik de dorpsgrens. Want - en dat is nou het rare aan dat hele researchgedoe - als je dan eindelijk dat, waarover je alleen op internet, in boeken of op snoepzakken iets hebt gelezen, in het ECHT ziet, en kunt aanraken of proeven of wat dan ook, dan is dat leuk, leerzaam en inspirerend, maar bovenal bijzonder surrealistisch.

Werther bestáát. Een klein dorp met een wereldberoemd snoepje. En ik ben er geweest.

Werther Kreis Gutersloh


(en de volgende keer meer over Heinrich)
Met de hulp van familieleden met stoffige fotoalbums op zolders, huidige boerderijbewoners en Sjaak van Loo (auteur van Boven Water, de watersnoodramp van 1953 in Oost-Zuid Beveland in woord en beeld) heb ik een voorstelling kunnen maken van de boerderijen uit Polderpioniers.

Twee boerderijen zijn op dezelfde plaats (en in een vergelijkbare stijl) herbouwd. De andere boerderijen bestaan - helaas - niet meer.

Langeweg Kruisland
Familie Lodiers, Langeweg Kruisland


Holterbergsestraat Kruisland
Familie Lodiers, Holterbergsestraat Kruisland

Olzendedijk Kruiningen
Familie Lodiers, Olzendedijk Kruiningen

Capelleweg Kruiningen
Familie Rijk, Capelleweg Kruiningen (na de watersnoodramp, voor de brand)

Schelpenbolweg Slootdorp
Familie Rijk-Lodiers, Schelpenbolweg Slootdorp (voor de inundatie)
Even iets over dat oer-Nederlandse fenomeen polder, dat Polderpioniers niet haalde, maar best fascinerend is. Een stukje over etymologie.

Het woord polder bestaat sinds de 12e eeuw (toen nog polre) en is afgeleid van pol, als in graspol.

Een bedijking aan zee of een rivier is de oudste vorm van een polder. Als de grond voldoende hoogte heeft bij een normale vloedstand kan er ingepolderd worden. Een variant is het omdijken van een meer om het daarna droog te malen.

Noordoostpolder

Nederland is de eerste in de wereld die land inpoldert. Het woord polder wordt dan ook wereldwijd overgenomen vanuit onze taal. Zo komt in de 13e eeuw in Frankrijk het woord polre voor, later wordt dat poldre en daarna le polder. De Italianen gebruiken eerst poldro en vanaf 1838 polder. In het Engels bestaat polder sinds de 17e eeuw, in het Duits vanaf het begin van de 18e eeuw.

Het Baskisch, Bulgaars, Deens, Ests, Hongaars, Kroatisch, Noors, Pools, Roemeens, Servisch, Sloveens, Spaans, Tsjechisch en het Zweeds gebruiken polder, het Russisch pol'der, het Lets polderis, het Litouws pòlderis, het Portugees pôlder en het Fins polderi.

Dus niet alleen levert Nederland een bijdrage aan de wereldveiligheid door haar kennis over inpolderen te verspreiden, maar ook draagt Nederland met het begrip polder bij aan de internationale woordenschat.

Trots?

Hmm. Over dat eerste zeker, maar over dat laatste is wel enige bescheidenheid op zijn plaats.

Want, zo vertelt etymologiebank, de meeste Finnen weten eigenlijk niet wat ze met het woord polderi aan moeten, omdat ze de juiste betekenis niet kennen. In Finland wordt namelijk geen land ingepolderd. Het woord komt voornamelijk voor in artikelen, discussies of gesprekken die betrekking hebben op Nederland. En waarschijnlijk geldt dat voor meer van bovenstaande talen....

Polders zijn nou eenmaal zó Nederlands.

Noordoostpolder

* Met dank aan etymologiebank.nl
Het was weer bandenwisseltijd. Ik zat in het wachtkamertje van de Kwikfit aan de automatenkoffie en keek naar een vriendelijk, kartonnen Michelinmannetje.

Bibendum, het Michelinmannetje

Ik dacht: 'Ik ken jou al mijn hele leven, beste bandenmannetje, maar ik weet eigenlijk heel weinig van je.' Hij reageerde niet, dus ik googlede zijn geschiedenis maar even.

Het begint met een fietsband in 1891.

Of eigenlijk eerder nog: in 1839 ontdekt de Amerikaan Charles Goodyear het proces van vulcanisatie dat tot rubber leidt. Vijftig jaar later bedenkt de Britse dierenarts John Boyd Dunlop de luchtband waarmee de fiets (eerder ook wel 'boneshaker' genoemd) een stuk comfortabeler wordt.

De rubberen fietsband is uitgevonden. Maar er is drie uur werk en een hele nacht droogtijd nodig om een lekke band te herstellen, omdat die rechtstreeks op de velg verlijmd zit.

En dan zijn daar de Franse broers André en Édouard Michelin. In 1891 ontwikkelen zij een luchtband met een aparte binnenband: de eerste verwisselbare fietsband. Drie jaar later organiseren de broers een wielerwedstrijd van Parijs naar Clermont-Ferrand. Ze strooien opzettelijk spijkers op de weg om aan te tonen dat lekrijden snel opgelost is met de demonteerbare Michelinbanden.

Niet heel sympathiek, maar wel een slimme marketingtruc.

In 1894 presenteren André en Édouard op de wereldtentoonstelling in Lyon een grote stapel banden. Édouard bedenkt ter plekke dat als de stapel armen zou hebben, het eruit zou zien als een mens. Het idee voor het Michelinmannetje is geboren. Samen met een kunstenaar ontwikkelen de broers hun mascotte. Hij wordt in 1898 op een reclame-affiche voor het eerst getoond.

Bibendum het Michelinmannetje

Op de afbeelding heft het Michelinmannetje een glas vol spijkers en glasscherven en roept: 'Nunc est bibendum!' Nu moet er gedronken worden!' Onderaan de affiche staat 'Le pneu Michelin boit l'obstacle!' De Michelinband drinkt de hindernis!
Oftewel iets als: spijkers en glasscherven op de weg zijn te overwinnen met Michelinbanden. De reclame slaat aan en de mascotte krijgt al snel de naam Bibendum.

Bibendum wordt het symbool van het bandenimperium. Pas veel later, als de broers Michelin hun banden hebben doorontwikkeld voor andere vervoersmiddelen, worden de fietsbanden waaruit Bibendum bestaat vervangen door autobanden. Bibendum wordt in 2000 uitgeroepen tot het beste logo van de eeuw.

En toen was mijn koffie op en stond mijn auto met winterbanden klaar.
Tot ziens Bibendum, tot in de lente.
Oktober 2013
Mijn vader vraagt: 'Wil jij het verhaal van je grootouders niet eens op papier zetten?'
Natuurlijk.

December 2013
Eerste interview met mijn vader.

Januari 2014 - ....
Ooms interviewen, archieven bezoeken, verloren bekenden opsporen, familiedocumenten ontcijferen.
Schrijven.

Januari 2014 - Mei 2014
Opleiding bij Scriptplus 'Schrijven van familieverhalen'.

Mei 2014
Maaike Gerritsen laat me op haar eigen boekpresentatie kennismaken met haar uitgever.
'Ik heb een manuscript voor een thriller.' (ja, ander boek)
'Stuur maar op.'
Vreugdesprongetje.

Juli 2014
Uitgever mailt: 'Toffe thriller, maar we hebben al genoeg.'
Ik: 'Maar ik ben ook nog bezig met iets anders: non-fictie, over boeren en polders.'
Uitgever: 'Interessant. Stuur tzt maar eens toe.'
Iets kleiner vreugdesprongetje.

September 2014
Eerste versie Polderpioniers gaat naar schrijfcoach.

Oktober 2014 - Maart 2015
Herschrijven.

Maart 2015
Tweede versie Polderpioniers gaat naar schrijfcoach.

April 2015
Herschrijven.

Mei 2015
Derde versie Polderpioniers naar uitgever.
Automatische reply: 'Ik werk hier niet meer. Belangrijke zaken svp doorsturen naar collega X.'
Domper. 
Derde versie Polderpioniers doorsturen naar X. 

Derde versie Polderpioniers naar familie.
Discussies, lachen, huilen.

Augustus 2015
Uitnodiging uitgever: 'Kom langs. We willen je spreken.'
Lichte hartverzakking.
Leuk gesprek. Inhoudelijk. Aanwijzingen om het manuscript te verbeteren.

September 2015 - December 2015
Herschrijven.

Januari 2016
Vierde versie naar uitgever.

Stilte.

Maart 2016
Uitnodiging uitgever: 'Kom langs. We willen je spreken.'
Koel blijven. Wolken wegwuiven en goede vragen stellen.
Gesprek. Na twee minuten: 'We gaan je boek uitgeven.'

Weer buiten.
Complete verwarring.
Heb ik het wel goed begrepen?
Zei ze het echt?
Mijn boek?
Uitgeven?
Hier aan de Herengracht?
Lichte hysterie.

April 2016
Er ligt een contract

Mei 2016 - September 2016
Herschrijven
Bronvermelding samenstellen
Persklaarmaken
Achterflaptekst
Omslag
Eerste proef

13 Oktober 2016
Af.

Het begon drie jaar geleden met een vraag. Nu is er een boek. En een goede dosis trots.

Marian Rijk Polderpioniers
Voordat ik met het schrijven van Polderpioniers begon had ik nog nooit van een poffer gehoord. Nu wel. Sterker nog, ik ben al bijna een expert. 

Kijk: dit is mijn overgrootmoeder. Ik vind haar mooi, met haar hoge jukbeenderen, amandelvormige ogen en witte schuimtaart – pardon – poffer.


De poffer is het belangrijkste onderdeel van de Brabantse klederdracht, en wordt tussen 1870 en 1940 met zeer veel trots gedragen. De dracht bestaat uit een kleine, zwarte ondermuts, daarover heen een kanten muts en dan de witte poffer – lekker warm.

Elke streek heeft een andere poffervorm. Elk dorp een poffermaakster en een mutsenplooister.

Portret van een plattelandsvrouw (Vincent van Gogh, 1885) met een ander soort poffer.

De witte tulen muts met kanten afwerkingen en ontelbaar veel plooitjes of tule bloemetjes en knopjes, toont de levensfase en de rijkdom van de draagster. Mijn overgrootmoeder – een burgermeisje – krijgt de muts van haar schoonfamilie, als ze in het huwelijk treedt met een herenboer. Hoe groter de poffer en hoe sjieker de stof, hoe rijker de boerin. Praktisch gezien is het pronkstuk een onding, een warme witte taart.

Jonge getrouwde vrouwen dragen een poffer met bloemen, oudere dames een poffer met appels of peren van zijde of knopjes (zij hebben ‘hun vrucht reeds gedragen’). Een weduwe draagt een rouwmuts, een poffer die van alle versieringen is ontdaan.

Mijn overgrootmoeder draagt haar poffer bij speciale gelegenheden: op zon- en feestdagen en als ze op bezoek gaat bij familie of belangrijke personen in de gemeenschap. En als ze op de foto gaat.

Ik heb eindeloos gezocht naar een foto van haar zonder poffer. Gewoon, omdat ik haar dat gunde, vastgelegd te mogen worden zonder die muts. Uiteindelijk vond ik een foto. Ze doet daar wat ze het liefste doet – zonder muts, zonder gepronk, zonder opsmuk : handwerken. De eenvoud. De rust. Nog mooier is ze dan.

overgrootmoeder

Meer weten over de poffer? Kijk op Binnekiekedotcom of bezoek het Mutsenmuseum.
Alsjeblieft, 6 tips voor het organiseren van een goede bronvermelding. Onderstaande kan je - zei de ervaringsdeskundige - veel tijd en frustratie schelen...

Boeken

1. Zodra je een bruikbaar stuk tekst, een afbeelding of plattegrond vindt, schrijf je de bron op. Je denkt niet, 'oh ik onthoud wel waar ik dat heb gevonden.' Nee! Je noteert meteen de bron.

2. Die brongegevens noteer je volgens de APA-regels. Op scribbr.nl vind je die regels met voorbeelden.

3. Uit online archieven kun je vaak PDF's of JPG's van aktes downloaden. Hartstikke fijn. Geef deze bestanden duidelijke namen (uit welk archief, welk archiefnummer, welke inhoud). Denk ook hier niet, 'ik onthoud het wel,' want als je een jaartje verder bent en 62 aktes met onmogelijke bestandsnamen op je PC hebt staan praat je wel anders.

Getuigschrift

4. Maak foto's van alle fysieke documenten (bv brieven, diploma's, bidprentjes etc) die aan je uitgeleend worden. Het zou namelijk zo maar kunnen dat de eigenaar ze wel even aan je uit wil lenen, maar niet voor drie jaar.

5. Vind je in een archief dat ene geweldige document dat niet gedigitaliseerd is en gewoon weer terug moet in de archiefkast? Maak er een foto van - mag bijna altijd - (en anders een kopie, zie de extra tip onderaan). Foto's zijn thuis goed te vergroten en soms zelfs beter leesbaar dan het werkelijke document.

6. Wil je online bronnen, zoals een persoonlijk blog of publicatie, als referentie gebruiken? Niet elke online auteur heeft zijn Creative Commons op orde. Vraag daarom vooraf toestemming om de bron te mogen gebruiken - ik kreeg alleen maar positieve reacties - en verwijs er naar in je bronvermelding.

Akte

Extra tip voor het ontcijferen van oude documenten:
Van de archivaris van het Markiezenhof kreeg ik de volgende tip: In oude aktes is geschreven met de hand, met van die grote ouderwetse krulletters in inkt, wat het niet altijd goed leesbaar maakt. Volg met een potlood (op een kopie!) of met je vinger (dat mag wel op het echte document) de letters alsof je ze zelf schrijft. Vaak wordt door je eigen beweging dan toch inzichtelijk wat er staat.

Van bovenstaande punten ben ik bewust geworden tijdens het schrijven van Polderpioniers. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer handige tips voor het maken van een goede bronvermelding of literatuurlijst. Aanvullingen zijn dan ook welkom!
Waar komt het woord fiets vandaan?

Nederlandse etymologen (taalkundigen die de herkomst van woorden onderzoeken) zijn zo geobsedeerd geweest door deze vraag, dat er meer dan zeventig publicaties over geschreven zijn. In totaal bestaan er zeker twintig verschillende theorieën over de herkomst van het woord fiets.

& ik vond dat zo grappig en intrigerend, dat ik er een blogje over schreef.

Poster van Velocipede Viets


Halverwege de negentiende eeuw deed het nieuwe voertuig met twee wielen haar intrede in Nederland. Nederlandse en Vlaamse letterkundigen ergerden zich aan dat moeilijke Franse woord vélocipède: een samenstelling uit het Latijnse velox, velocis 'rap, snel' en pes, pedis 'voet'. Het was al snel duidelijk: vélocipède moest vervangen worden. Maar door wat?

Het Vlaams dagblad De Stad Gent nam bij het zoeken naar alternatieven het voortouw. Op 25 augustus 1869 plaatste die krant een lijstje met namen die waren ingezonden door lezers. Tussen de eenendertig benamingen zaten serieuze voorstellen:

snellooper of wieltrapper,

maar ook grappige als

draaiende aardezoeker, tweewielige buikpelder, mekanieke lanterfanter, nieuwbakke luiaard en wielzot. 

Op 31 augustus 1869 werd het krantenartikel overgenomen in het Leidsch Dagblad. De hoofdredacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal stelde daarop het volgende voor:

wieler. 

Een week later, op het Taal- en letterkundig congres in Leuven, werden er achtenveertig alternatieven op tafel gelegd.

loopwieler bijvoorbeeld, en trapwieler 

en snelwieler, snelspin, spin, hazewind, snelvoeter, tredensneller, snellewiel of zelfkar.

De aanwezige professoren kwamen niet tot een besluit. Een Vlaamse onderwijzer en letterkundige stelde toen het volgende voor:

Niet eene geleerde vergadering, een Congres, moet eene vertaling van het bedoelde woord geven; men moet die zorg aan het volk overlaten, dat gewoonlijk in het geven van benamingen niet achterlijk is.

En zo geschiedde: het volk verzon een woord voor het nieuwe vervoersmiddel.

Maar hoe?

In een Utrechtse krant stelde een 'eenvoudig Utrechtsch ingezetene' voor om vélocipède te vervangen door rijwiel, afgeleid van het volledig ingeburgerde rijtuig. Een mooie eerste stap. Rijwiel werd de officiële benaming voor dat nieuwe voertuig.

Maar hoe kwamen we dan aan het woord fiets?

Nou, dat is nog best ingewikkeld.

De eerste verklaring is dat het een verbastering van het wat lange en lastig uit te spreken vélocipède zou zijn. Het originele Franse woord werd bijvoorbeeld in Twente verbasterd tot

fielsepee, en in andere regio’s tot verdraaiingen als vieloziepee, viezepee, vielesepee, filesepee en fiesselepee. Deze zogenaamde tussenvormen werden tot viels verkort. Maar omdat het werkwoord vielsen niet behoorlijk werd gevonden, werd viels viets.

Van de v maakte men een f, omdat de zachte v te weinig snelheid en kracht uitstraalde, en omdat het woord er gewoonweg niet uitzag met een v.
Deze vrij logische verklaring wordt bekritiseerd vanwege het kip-ei-verhaal: kwam fiets van vélocipède of verbasterde men vélocipède pas naar fiets, toen het woord fiets al bestond?

Niemand weet het.

En er zijn andere verklaringen. Bijvoorbeeld die van meneer Viets, die in Wageningen een fietsenwinkel had. Elie Cornelis Viets was een smid, net als zijn vader en grootvader. Hij handelde in haarden, kachels, fornuizen, veevoederkookpotten, kolenbakken en petroleumtoestellen, en vanaf 1889 ook in vélocipèdes.
Ondanks dat de beste man zelf overtuigd was dat het voertuig van zijn naam was afgeleid, is chronologisch gezien de verklaring niet realistisch. Waarschijnlijk heeft zijn rijwielhandel wel goed bijgedragen aan de verbreiding van het woord fiets in Wageningen en omgeving.

Klanknabootsing kan ook een verklaring zijn voor het ontstaan van fiets. Volgens het Gelders dialect was fiets een klanknabootsing die snelheid uitdrukte. Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep. Of zoals een dame uit Nijmegen in 1901 in De Kampioen verklaarde:

Fiets, dat is een woord, niet gefabriceerd, maar geworden, ontstaan in en door het volk, als een pure uiting van wat bij het zien van dat ding in de ziel omging. Men zag het, zoo licht en vlug, het vloog daarheen, zjiest! en 't was weg! En zoo, gewoonweg, zei men, bij wat men zag en hoorde: da's een fiets!

De klanknabootsingtheorie heeft vele voorstanders. Volgens sommigen verklaart het ook waarom viets na verloop van tijd met een f werd geschreven, want: de f beeldde veel beter den snellen, geruischloozen gang van het inmiddels zoo verbeterde geluchtbande rijwiel uit.

Het kan ook zijn dat de fiets genoemd is naar de Engelse rijwielfabrikant Fitz.

Of, zoals ze in Apeldoorn beweren: dat een voorganger zomaar uit het niets zijn vélocipède tot viets had gedoopt, waarna alle leerlingen van de kostschool dit hadden overgenomen.

Viets of Fiets


Een dialectische verbastering behoort ook tot de mogelijke verklaringen. Verschillende regio's weten zeker dat de oorsprong van het woord fiets uit hun omgeving komt.

Van Venloosch pêrdje (paardje) bijvoorbeeld.

Of deze: in Oerle zou de boerin Marie Renders in haar jonge jaren de bijnaam 'Mie Fiets' hebben gekregen door de manier waarop ze liep. In Oerle betekende fietsen namelijk 'met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen', en dat kon Marie als de beste.

Of: Fietsken komt uit Groenlo, waar het 'een laatste restje' betekent, en dat zou in relatie staan met het minimum aan tijd dat men nodig heeft om zich te verplaatsen per rijwiel.

In Drente refereert men aan het woord fiets als 'zier': Ik doe der gien fiets meer of, betekent: daar kun je niet veel mee.

In Zuid-Limburg betekent vietse of fietse hardlopen, zich snel uit de voeten maken. In Noord-Limburg bestaat fiette, met een vergelijkbare betekenis.

Verschillende dialectologen vermoeden dat de verklaring uit Limburg wel eens de juiste kan zijn. Niet alleen klinkt het aannemelijk en zijn er geen echte tegenargumenten te verzinnen, het zou ook verklaren waarom fiets eerst met een v geschreven werd, en daarna een variant kreeg met de f.

Viets en fiets werden lang beschouwd als een volkswoord, een 'vulgair jongenswoord'. Pas sinds halverwege de twintigste eeuw durft iedereen - ook de chiquere mens - het woord te zeggen zonder zich te schamen.

Fiets.

Met dank aan Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord van Ewoud Sanders.